← België

Cassatiebeschikking 13148 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 25 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.148 Rolnummer: A. 226729/XIV-37878 Zaak: Cassatiebeschikking 13148 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 25/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-25 03:32 Fiche Beschikking nr 13.148 van 25 januari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.148 van 25 januari 2019 in de zaak A. 226.729/XIV-37.878 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Copinschi kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 93 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister bevoegd voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 november 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 211.267 van 19 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 november 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. De verzoekers achten de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 vervatte formelemotiveringsplicht geschonden omdat in het bestreden arrest wordt aanvaard dat de verwijzing in het verslag van de ambtenaar-geneesheer van 18 mei 2018 XIV-37.878-1/5 naar niet-openbare bronnen volstaat om te voldoen aan de voornoemde bepalingen. Zij koppelen hieraan de schending van een reeks andere bepalingen en beginselen.
  5. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. De formelemotiveringsplicht vereist niet dat de overheid specificeert wat de gronden van haar motieven zijn. Aan de formele motiveringsplicht kan worden voldaan door een verwijzing naar een advies, op voorwaarde dat de inhoud van het advies waarnaar wordt verwezen aan de rechtszoekende ter kennis is gebracht, dat dit advies zelf afdoende is gemotiveerd, dat het wordt bijgevallen in de uiteindelijke beslissing en dat er geen tegenstrijdige adviezen zijn.
  6. Uit het dossier van de zaak blijkt dat de aanvankelijk bestreden beslissing waarmee de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, is gesteund op en verwijst naar het verslag van de ambtenaar-geneesheer van 18 mei
  7. XIV-37.878-2/5 Betreffende de beschikbaarheid van de zorgen en van de opvolging in het land van herkomst, geeft de ambtenaar-geneesheer het volgende aan in zijn voormeld advies: “Er werd gebruik gemaakt van de volgende bronnen (deze informatie werd toegevoegd aan het administratief dossier van de betrokkene):
  8. Informatie afkomstig uit de MedCOI - databank die niet publiek is Aanvraag Medcoi van 22/11/2016 met het unieke referentienummer BMA 8867 Aanvraag Medcoi van 05/01/2017 met het unieke referentienummer BMA 9067 Aanvraag Medcoi van 03/04/2017 met het unieke referentienummer BMA 9429 Aanvraag Medcoi van 23/10/2017 met het unieke referentienummer BMA 10212
  9. Overzicht van de beschikbare medicatie voor XXXXX in Oekraïne volgens recente MedCOI dossiers. Uit deze informatie kan geconcludeerd worden dat opvolging en behandeling bij een pediater, (kinder)neuroloog, (kinder)orthopedist, oftalmoloog en (kinder) fysiotherapeut/kinesist beschikbaar is in Oekraïne. Neurochirurgie voor refractaire epilepsie is beschikbaar. Een rolstoel, orthopedische schoenen, korset en ortheses voor armen en benen (ledematen) zijn beschikbaar, evenals logopedie en speciale scholing. Carbamezipine, zijn analoog oxcarbazepine en het therapeutisch equivalent levetiracetam zijn beschikbaar. Lacosamide is niet beschikbaar. Het kan vervangen worden door zijn therapeutische equivalenten: fenytoïne, gabapentine of pregabaline, die wel beschikbaar zijn in Oekraïne.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat de verwerende partij zich bij het nemen van de eerste aanvankelijk bestreden beslissing volledig heeft gesteund op het advies van de ambtenaar-geneesheer, dat moet worden beschouwd als integraal deel uitmakend van die beslissing. Hij wijst erop dat een motivering door verwijzing naar het uitgebrachte advies in beginsel is toegestaan doch aan bepaalde voorwaarden dient te voldoen. De inhoud van de stukken waarnaar wordt verwezen moet aan de betrokkene ter kennis zijn gebracht, de stukken moeten zelf afdoende gemotiveerd zijn en ze moeten in de uiteindelijke beslissing worden bijgevallen door de verwerende partij. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat de verzoekers niet betwisten dat zij in het bezit werden gesteld van het advies en dat zij verder niet aantonen dat en waarom de eerste aanvankelijk bestreden beslissing, gelezen samen met het advies, niet zou voldoen aan de hoger geschetste vereisten van de formelemotiveringsplicht.
  10. De verzoekers betwisten niet dat bij de kennisgeving van de aanvankelijk bestreden beslissing ook het advies van de ambtenaar-geneesheer was gevoegd, waarop die beslissing was gesteund. XIV-37.878-3/5 In het kwestieuze advies wordt verwezen naar een aantal gegevens die afkomstig zijn van MedCOI-informatiebronnen, waarvan wordt aangegeven dat ze niet openbaar zijn. De uit die bronnen afkomstige informatie wordt echter ook in het advies weergegeven of minstens samengevat, met name welke concrete medicatie beschikbaar is of niet, welke equivalenten eventueel beschikbaar zijn en welke andere te dezen relevante vormen van hulp beschikbaar zijn. Daarenboven wordt uitdrukkelijk vermeld dat de niet- openbare informatie aan het administratief dossier van de verzoekers wordt toegevoegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve zonder schending van de inhoud van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ oordelen dat aan de door de formelemotiveringsplicht gestelde vereisten voor een motivering door verwijzing was voldaan vermits de concrete inhoud van de (weliswaar niet openbaar beschikbare) informatie in het advies van de ambtenaar-geneesheer van 18 mei 2018 was opgenomen. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een andere zaak anders zou hebben geoordeeld, doet hieraan geen afbreuk vermits naar Belgisch recht geen precedentenwerking geldt. Tot slot maken de verzoekers geen schending van de overige aangehaalde bepalingen en beginselen aannemelijk, vermits zij die schending enkel koppelen aan de hoger ongegrond bevonden kritiek betreffende de formelemotiveringsplicht. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  12. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde. XIV-37.878-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijfentwintig januari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.878-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.148 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.