id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.157 Rolnummer: A. 226718/XIV-37877 Zaak: Cassatiebeschikking 13157 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-25 04:01 Fiche Beschikking nr 13.157 van 29 januari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.157 van 29 januari 2019 in de zaak A. 226.718/XIV-37.877 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 november 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 210.780 van 11 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 november 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Anders dan verzoeker voorhoudt, vereist artikel 74/20 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) niet dat een beslissing tot intrekking van een machtiging of toelating tot verblijf en een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten in afzonderlijke materiële aktes na elkaar moeten worden XIV-37.877-1/7 genomen, waarbij een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten slechts mogelijk zou zijn nadat een beslissing tot intrekking werd genomen. De aanvankelijk bestreden beslissing verwijst uitdrukkelijk naar artikel 74/20, § 2 van de vreemdelingenwet, dat de intrekking van het verblijfsrecht betreft, en naar artikel 74/20, § 3, dat het bevel om het grondgebied te verlaten betreft. Er wordt aangehaald in welke gevallen de minister of zijn gemachtigde de machtiging of toelating tot verblijf kan intrekken en dat de minister of zijn gemachtigde na de intrekking een bevel om het grondgebied te verlaten geeft. Hierna volgt een omstandig en zeer gedetailleerd onderzoek betreffende de vraag of verzoeker fraude heeft gepleegd om zijn verblijfsrecht te krijgen. Op het einde hiervan wordt in de aanvankelijk bestreden beslissing geoordeeld dat verzoeker zijn verblijfsrecht frauduleus heeft verkregen en er wordt besloten “dat geen enkel medisch, socio-cultureel of familiaal element voorligt dat een beletsel voor de intrekking van het frauduleus verkregen verblijfsrecht en voor de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten overeenkomstig bovengenoemd artikel”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon dan ook zonder de bewijskracht van de aanvankelijk bestreden beslissing te schenden oordelen dat deze beslissing zowel een beslissing tot intrekking van het verblijfsrecht als een bevel om het grondgebied te verlaten bevat. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de hoofding van de aanvankelijk bestreden beslissing enkel “bevel om het grondgebied te verlaten” vermeldt. Het eerste onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- Verzoeker gaat ervan uit dat in de aanvankelijk bestreden beslissing niet wordt betwist dat de identiteitskaart en het paspoort van hemzelf zijn. Volgens hem wordt er uitdrukkelijk in erkend “dat verzoekers identiteit bewezen is, en dat er geen twijfel is aan de authenticiteit van zijn identiteitsdocumenten”. In de aanvankelijk bestreden beslissing wordt uiteengezet dat een bepaalde persoon op 24 februari 2003 een asielaanvraag had ingediend die werd afgewezen waarna hij uiteindelijk in 2006 ambtshalve werd geschrapt en dat een persoon met dezelfde identiteitsgegevens in 2009 een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet heeft ingediend waarna hij, als zijnde de eerstgenoemde persoon die sedert zijn asielaanvraag in het Rijk verbleef, werd gemachtigd tot een verblijfsrecht van onbeperkte duur. Verder wordt vermeld dat de betrokkene op XIV-37.877-2/7 28 december 2015 een aanvraag heeft ingediend om zijn naam en zijn geboorteplaats te wijzigen. Dienaangaande wordt in de bestreden beslissing vastgesteld dat na vergelijking is gebleken dat verzoeker “niet bekend [is] in het vingerafdrukkenbestand van de dienst printrak die de vingerafdrukken van alle vreemdelingen die zich in België vluchteling verklaren bijhoudt”, “dat de betrokken vreemdeling nooit een asielaanvraag heeft ingediend in België”, dat “de persoon die verblijfsgerechtigd werd onder de identiteit [B.A.] zich schuldig [heeft] gemaakt aan identiteitsusurpatie” en dat hij “dus met andere woorden de asielprocedure van iemand anders [heeft] gebruikt met het oog op het verkrijgen van een langdurig verblijfsrecht”. Na het door verzoeker gevoerde verweer te hebben aangehaald, wordt in de bestreden beslissing op concreet gemotiveerde wijze geoordeeld dat “een gedegen argument om het resultaat van de vergelijking van de vingerafdrukken […] naast zich neer te leggen […] dus niet voor[ligt]” en dat werd “vastgesteld dat de verblijfsgerechtigde persoon aan de hand van zijn paspoort van Mauritanië met nr. [...] kan geïdentificeerd BA, [A] en dat dit niet dezelfde persoon is als de persoon die onder de identiteit B.A. een asielprocedure heeft ingediend in 2003”. Hierna wordt in de aanvankelijk bestreden beslissing nog gesteld dat “de identiteitsdocumenten van Mauritanië […] de betrokkene zijn werkelijke identiteit aan[tonen] en […] hier niet betwist [worden]”. Op het einde van de aanvankelijk bestreden beslissing wordt nogmaals de “identiteitsusurpatie” door verzoeker aangehaald. Met de beoordeling in het bestreden arrest dat het “een uiterst onfortuinlijke motivering” betreft om in de aanvankelijk bestreden beslissing te stellen dat de identiteitsdocumenten van Mauritanië de werkelijke identiteit van de betrokkene aantonen en niet worden betwist, en door verder te overwegen “dat deze zinsnede lijkt te moeten worden gekaderd in de vaststelling dat verweerder als dusdanig de authenticiteit van de identiteitsdocumenten niet in vraag stelt” en “dat verweerder de identiteitstukken van de asielzoeker A.B. niet betwist doch wel van oordeel is dat deze persoon een andere persoon dan verzoeker is”, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen uitlegging gegeven aan de bestreden beslissing die strijdig is met de inhoud ervan en heeft hij derhalve niet de bewijskracht van die akte geschonden. De kern van de aanvankelijk bestreden beslissing ligt immers in de vaststelling dat de persoon wiens verblijfsmachtiging thans wordt ingetrokken en die over identiteitsdocumenten uit Mauritanië beschikt, niet dezelfde is als de persoon die op 23 februari 2003 asiel heeft gevraagd doch enkel de identiteit van deze laatste persoon heeft gebruikt. XIV-37.877-3/7 Het tweede onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- Artikel 39/81, tweede lid, van de vreemdelingenwet houdt op zich geen verbod in voor de verwerende partij om bij de nota met opmerkingen nog andere stukken te voegen dan het eigenlijk administratief dossier. Het eerste onderdeel van het tweede middel faalt naar recht en is kennelijk ongegrond.
- Reeds in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt vastgesteld dat “na vergelijking van de vingerafdrukken genomen door de lokale politie Geel van de verblijfsgerechtigde B.A. met die genomen van B.A. bij de asielaanvraag op 24.02.2003 is gebleken dat de sets van vingerafdrukken niet overeenkomen”. In die beslissing wordt ook aangehaald dat verzoekers advocaat met een mail van 23 februari 2017 een aantal punten van kritiek heeft geformuleerd op de vergelijking van de vingerafdrukken. In antwoord daarop wordt er in de bestreden beslissing op gewezen “dat de verwerking en het beheer van de vingerafdrukken wettelijk geregeld zijn en een vergelijking steeds gebeurt zonder vooringenomenheid over de uitkomst ervan”, dat “de vergelijking van de twee sets van vingerafdrukken […] geautomatiseerd [gebeurde] door specifiek hiervoor ontwikkelde software”, dat er daarenboven “ook steeds een bijkomende controle [is] door de gespecialiseerde medewerkers van de dienst printrak naar de kwaliteit van de vingerafdrukken”, dat “de persoon die het resultaat van de vergelijking van de vingerafdrukken opstelde […] een ander persoon [was] dan de dossierbehandelaar die het fraudeonderzoek voerde en […] dus ook geen kennis [had] van de finaliteit van dit fraudeonderzoek”, dat “overigens […] de vingerafdrukken afgenomen door de lokale politie van hoge kwaliteit [blijken] te zijn geweest terwijl de stelling van de advocaat juist is dat de producten die de betrokkene dagelijks gebruikt bij de uitoefening van zijn job de kwaliteit van de vingerafdrukken heeft aangetast”, dat “chemicaliën de lijnenpatronen van vingerafdrukken eventueel kunnen laten vervagen (wat in deze niet het geval bleek) maar niet kunnen veranderen van vorm” en dat “een gedegen argument om het resultaat van de vergelijking van de vingerafdrukken […] naast zich neer te leggen […] dus niet voor[ligt]”. Anders dan verzoeker voorhoudt, worden de door de verwerende partij buiten het administratief dossier meegedeelde stukken niet gebruikt voor een motivering a posteriori van de aanvankelijk bestreden beslissing. De verwerende partij heeft XIV-37.877-4/7 die stukken voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers bijgebracht als repliek op verzoekers kritiek dat de vingerafdrukken zelf ontbreken en dat niet kan worden nagegaan of er mogelijk een fout is gemaakt bij de vergelijking. De motivering in het bestreden arrest aan de hand van de bijkomende stukken vormt een antwoord op verzoekers kritiek. Er is dan ook geen sprake van een schending van de inhoud van de in artikel 62 van de vreemdelingenwet en in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ vervatte formelemotiveringsplicht in het bestreden arrest. Het tweede onderdeel van het tweede middel is kennelijk ongegrond.
- Verzoeker laat gelden dat “de documenten houdende de vingerafdrukken […] zich echter niet in het administratief dossier [bevonden] dat ter beschikking werd gesteld”, dat “later, aan de hand van een aanvullende nota, […] vervolgens stukken [werden] toegevoegd door verwerende partij” doch dat “verzoeker […] nooit de mogelijkheid [kreeg] om daar schriftelijk op te reageren aangezien er geen mogelijkheid was om een synthesememorie neer te leggen”. Het recht van verdediging, waarvan het recht op tegenspraak deel uitmaakt, houdt onder meer in dat de partijen kennis moeten kunnen nemen van alle aan de rechter voorgelegde stukken en dat zij er op nuttige wijze standpunt over moeten kunnen innemen. Na de relevante stukken uit het administratief dossier concreet te hebben besproken in punt 2.5 van het bestreden arrest, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.6 dat het administratief dossier wel degelijk cruciale documenten bevat over verzoekers vingerafdrukkenonderzoek. Al bevatte het administratief dossier “niet het bij de nota gevoegde afschrift van de vingerafdrukken van verzoeker van 24 februari 2003 […] (wel de begeleidende mail van 3 maart 2017 waarbij D.B.L. aan S.R. de vingerafdrukken van 24 februari 2003 overmaakt), en evenmin het bij de nota met opmerkingen gevoegde synthesedocument betreffende de wijze waarop de vingerafdrukken vergeleken worden en de kwaliteit van de op 29 december 2016 genomen vingerafdrukken”, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt wel op “dat de inhoud van het synthesedocument werd opgenomen in de [aanvankelijk] bestreden beslissing” zodat “verzoeker kon […] kennis nemen van verweerders standpunt aangaande het verloop van het XIV-37.877-5/7 onderzoek en de impact van verzoekers tewerkstelling als afwasser op de kwaliteit van de vingerafdrukken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dat “daarenboven […] verzoeker ter terechtzitting uitdrukkelijk de mogelijkheid [werd] geboden om te repliceren op de nota met opmerkingen, met inbegrip van de hierbij gevoegde stukken”, dat “dit ‘synthesedocument telefoongesprek’ [immers] de gevolgde procedure [beschrijft] en […] een antwoord [biedt] op de vraag of de afdrukken zouden kunnen zijn aangetast door chemicaliën”. In deze wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop “dat de nota met opmerkingen – en de hierbij gevoegde bewijsstukken – reeds op 3 augustus 2018 aan verzoeker werden toegestuurd, zodat hij in de mogelijkheid was zijn betoog dienaangaande voor te bereiden”, dat “indien verzoeker bovendien van oordeel was dat hem een uitstel diende te worden toegekend, teneinde voormelde bewijsstukken grondiger te analyseren en hierover bijkomend verweer op punt te stellen, […] het hem vrij [stond] hierom te verzoeken”, dat “op geen ogenblik […] verzoeker evenwel [heeft] aangegeven dergelijk uitstel te willen verkrijgen” en dat “gelet op bovenstaande elementen, […] verzoeker niet aan[toont] dat in casu zijn rechten op verdediging en toegang tot het dossier werden miskend”. Verzoeker gaat in het cassatiemiddel volledig voorbij aan de hoger geciteerde vaststellingen uit het bestreden arrest dat hij reeds op 3 augustus 2018 in kennis werd gesteld van de nota en de stukken van de verwerende partij, dat hij dus alle tijd had om een nader verweer voor te bereiden, dat hem ter terechtzitting werd gevraagd een standpunt in te nemen en dat verzoeker ook op dat ogenblik geen uitstel heeft gevraagd. Nu verzoeker dus niet eens heeft gevraagd om, al dan niet schriftelijk, nader standpunt te mogen innemen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, vermag hij wat dit betreft niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie een schending van het recht van verdediging in te roepen. Alleszins maakt hij niet aannemelijk dat hij niet op nuttige wijze een standpunt kon innemen over de kwestieuze stukken. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-37.877-6/7 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig januari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.877-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div