← België

Cassatiebeschikking 13159 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.159 Rolnummer: A. 226871/XIV-37889 Zaak: Cassatiebeschikking 13159 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-25 04:02 Fiche Beschikking nr 13.159 van 29 januari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.159 van 29 januari 2019 in de zaak A. 226.871/XIV-37.889 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander Loobuyck kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 december 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 211.665 van 26 oktober 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 december 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Naar luid van artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) is het feit dat een asielzoeker in het verleden reeds werd vervolgd, of reeds ernstige schade heeft ondergaan, of reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of met dergelijke schade, een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel is, tenzij er goede XIV-37.889-1/3 redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Deze bepaling houdt een omkering van de bewijslast in, in die zin dat bij reeds ondergane vervolging of ernstige schade of bij ondergane bedreiging daarmee, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en na eventueel beroep de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met hervormingsbevoegdheid, het tegenbewijs dient te leveren van “goede redenen” om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Op grond van het feit dat verzoekster een aan de door haar reeds ondergane praktijk van vrouwelijke genitale verminking gerelateerde vrees niet eens zelf aanhaalt en dat zij er slechts vage verklaringen over aflegt zonder in te gaan op een vrees voor herbesnijdenis, vermag de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze te oordelen dat er goede gronden zijn in de zin van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet om aan te nemen dat de bedoelde vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. Die feitelijke beoordeling behoort verder tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het behoort eveneens tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of al dan niet essentiële elementen ontbreken die inhouden dat hij niet kan komen tot een bevestiging of hervorming van de aanvankelijk bestreden beslissing zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen zoals voorzien in artikel 39/2, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.889-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig januari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.889-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.159 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.