← België

Cassatiebeschikking 13160 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.160 Rolnummer: A. 226945/XIV-37897 Zaak: Cassatiebeschikking 13160 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 04:02 Fiche Beschikking nr 13.160 van 29 januari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.160 van 29 januari 2019 in de zaak A. 226.945/XIV-37.897 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 december 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 212.217 van 12 november 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 27 december 2018 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Naar luid van artikel 49/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) neemt “een aanvraag om erkenning van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus […] de vorm aan van een verzoek om internationale bescherming”, dat ambtshalve bij voorrang wordt onderzocht in het kader van de vluchtelingenstatus en vervolgens in het kader van de XIV-37.897-1/3 subsidiaire beschermingsstatus. Het voornoemde artikel heeft geen betrekking op de eventuele intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus, die immers is voorzien in artikel 55/5/1, § 2, van de vreemdelingenwet. Evenzo heeft artikel 10.2 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ (hierna: richtlijn 2013/32) uitsluitend betrekking op “verzoeken om internationale bescherming”. De intrekking van de reeds toegekende internationale bescherming en de daartoe te volgen procedure zijn daarentegen voorzien in artikel 44 en volgende van die richtlijn. Het bestreden arrest betreft uitsluitend het beroep tegen een beslissing tot intrekking van de door verzoeker reeds verkregen subsidiaire beschermingsstatus en geenszins de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming. Voorafgaand aan de aanvankelijk bestreden beslissing werd verzoeker enkel gehoord in het licht van een eventuele intrekking van zijn subsidiaire beschermingsstatus. Verzoeker kan zich derhalve niet dienstig beroepen op artikel 49/3 van de vreemdelingenwet of op artikel 10.2 van richtlijn 2013/
  2. Om die reden is ook de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geding. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
  3. Verzoeker stelt in het tweede middelonderdeel opnieuw dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen een onderzoek had moeten voeren naar “de gronden die verzoeker heeft aangevoerd waarvoor hij meent in aanmerking te komen voor een vluchtelingenstatuut”. Hierbij gaat verzoeker er opnieuw aan voorbij dat hij enkel was betrokken in een procedure tot intrekking van de eerder toegekende subsidiaire beschermingsstatus. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft op wettige wijze geoordeeld dat het geen verzoek om internationale bescherming betrof. De vaststelling dat het te dezen geen verzoek om internationale bescherming betreft houdt niet in dat verzoeker niet beschikt over een daadwerkelijk rechtsmiddel tegen een beslissing tot intrekking. XIV-37.897-2/3 Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig januari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.897-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.160 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.