← België

Cassatiebeschikking 13161 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.161 Rolnummer: A. 227118/XIV-37914 Zaak: Cassatiebeschikking 13161 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-25 04:03 Fiche Beschikking nr 13.161 van 29 januari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.161 van 29 januari 2019 in de zaak A. 227.118/XIV-37.914 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 december 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 212.893 van 26 november 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekster gaat in het enige middel uitgebreid in op de volgens haar in het bestreden arrest niet onderzochte situatie van “alleenstaande vrouwen en/of vrouwen die gezien worden als verwesterd, of vrouwen die alleen in het Westen hebben verbleven”. Zij citeert daartoe uit verschillende internationale rapporten. XIV-37.914-1/3 Verzoekster gaat echter volledig voorbij aan de motieven in het bestreden arrest waarom haar relaas en de op grond daarvan voorgehouden vrees voor vervolging volkomen ongeloofwaardig worden geacht. Zo wordt in punt 2.3 van het bestreden arrest geoordeeld dat verzoeksters verklaringen over de situatie en verblijfplaats van haar echtgenoot en zoon terecht tegenstrijdig zijn bevonden in de bestreden beslissing en dat verzoekster, door na een aantal opeenvolgende, tegenstrijdige verklaringen te volharden in één bepaalde versie van de feiten, de vaststelling niet ontkracht dat zij heeft toegegeven dat haar echtgenoot in Kaboel verblijft met haar zoon en er zijn werk uitoefent. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen leidt hieruit af dat verzoeksters vertrek naar Europa werd afgesproken met haar echtgenoot om er een vrijer leven te kunnen leiden. Op verzoeksters betoog dat zij vrees koestert voor de familie van haar eerste echtgenoot, antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekster erkent dat zij van 2001 tot 2015 zonder problemen in Kaboel heeft gewoond, dat zij al meer dan 17 jaar haar eigen beslissingen heeft kunnen nemen, waaronder het huwelijk met haar huidige echtgenoot, het geven van privélessen, het vertrek naar Kaboel en het vertrek naar Europa. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat “deze elementen getuigen van een zelfstandigheid en zelfredzaamheid, die haaks staan op een voorgehouden kwetsbaarheid” en dat “een loutere vrees voor vervolging of een verwijzing naar algemene informatie over de situatie in het land van herkomst” daar geen ander licht op werpen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgt nog de vaststelling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoekster zich bij een terugkeer redelijkerwijze bij haar gezin in Kaboel zou vestigen. Wat de subsidiaire beschermingsstatus betreft, heeft verzoekster voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gewezen op haar hoedanigheid als alleenstaande vrouw, doch deze voorgehouden feitelijke toestand is net verworpen met het bestreden arrest. Verzoekster beroept zich in het cassatiemiddel dan ook tevergeefs op die voorgehouden hoedanigheid. Haar kritiek als zou het bestreden arrest enkel verwijzen naar “de familie van verzoekster” als actor van bescherming mist, in het licht van de hoger vermelde motieven, feitelijke grondslag. Verder geeft verzoekster een eigen visie weer op de toestand in Afghanistan om aan te geven dat in haren hoofde wel sprake zou zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade, doch de Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf. XIV-37.914-2/3 Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig januari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.914-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.