← België

Cassatiebeschikking 13168 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.168 Rolnummer: A. 227078/XIV-37909 Zaak: Cassatiebeschikking 13168 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-11 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-25 04:47 Fiche Beschikking nr 13.168 van 4 februari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.168 van 4 februari 2019 in de zaak A. 227.078/XIV-37.909 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Herman De Ponthiere kantoor houdend te 8900 Ieper Veemarkt 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 december 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 212.747 van 22 november 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De verzoekers richten zich tegen het motief in het bestreden arrest dat zij zich in hun aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) niet uitdrukkelijk hebben beroepen op de “Toelichting betreffende de toepassing van artikel 9, derde lid van de Vw.” XIV-37.909-1/3 van 7 december 2006, de “instructie van 26 maart 2009” en “het parlementair stuk nr. 3 51- 2478/008”. Na inderdaad te hebben vastgesteld dat de verzoekers de voormelde stukken niet hebben aangehaald in hun aanvraag van 23 juni 2016, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er echter op dat hij “niet [vermag] te toetsen aan de bedoelde instructie en toelichting evenals het parlementair stuk in de mate dat erin criteria zijn opgenomen die niet te verzoenen vallen met de wettelijke bepalingen in zoverre zij voorbijgaan aan de erin vastgestelde vereiste van het aangetoond zijn van buitengewone omstandigheden”, dat “het […] precies deze criteria [zijn] waarvan de verzoekende partijen de toepassing lijken te vragen” en dat “hieruit […] geen rechtsmiddel [kan] worden geput om tot de onwettigheid van de bestreden beslissing te besluiten”. De verzoekers richten zich niet tegen het voormelde motief, dat inhoudt dat zij zich hoe dan ook niet op de voornoemde toelichting, instructie en parlementair stuk kunnen beroepen om tot de onwettigheid van de aanvankelijk bestreden beslissing te besluiten. De door de verzoekers voorgehouden onwettigheid kan derhalve niet de strekking van het bestreden arrest hebben beïnvloed. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  4. De verzoekers voeren aan dat “er moest gemotiveerd worden waarom in de concrete omstandigheden van de zaak een langdurige asielprocedure van 10 jaar op het ogenblik dat de [aanvankelijk] bestreden beslissing werd genomen, geen buitengewone omstandigheid zou zijn”. Deze kritiek lijkt eerder tegen de aanvankelijk bestreden beslissing te zijn gericht dan tegen het bestreden arrest. In het bestreden arrest wordt de motivering geciteerd uit de aanvankelijk bestreden beslissing met betrekking tot de duur van de asielprocedure waarna die “concrete motivering, waarbij de duur van de verschillende asielprocedures in aanmerking wordt genomen alsook specifiek wordt gewezen op de procedure voor het EHRM inzake de vierde asielaanvraag die uiteindelijk negatief werd afgesloten”, niet onredelijk beschouwd en wordt vastgesteld dat de verzoekers er niet concreet op ingaan zodat zij er geen afbreuk aan doen. De verzoekers gaan voorbij aan deze motivering in het bestreden arrest. Verder vermag de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden, zodat het hem niet toekomt zelf te oordelen of in concreto sprake is van buitengewone omstandigheden of niet. XIV-37.909-2/3 Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  5. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  6. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vier februari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.909-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.