← België

Cassatiebeschikking 13188 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.188 Rolnummer: A. 227095/XIV-37911 Zaak: Cassatiebeschikking 13188 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-25 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-25 05:40 Fiche Beschikking nr 13.188 van 12 februari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.188 van 12 februari 2019 in de zaak A. 227.095/XIV-37.911 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hanne Vander Velpen kantoor houdend te 2020 Antwerpen Atletenstraat 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 213.341 van 30 november 2018 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 15 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De materiëlemotiveringsplicht is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker voert niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van dit beginsel zou hebben geschonden met het bestreden arrest. XIV-37.911-1/3 Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. Verzoeker betwist het oordeel van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing heeft kunnen oordelen dat verzoeker een actueel gevaar voor de openbare orde vormt en dat de verwerende partij een correcte belangenafweging heeft gemaakt omtrent verzoekers privéleven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 3.3 van het bestreden arrest uitgebreid in op de chronologie van de door verzoeker gepleegde feiten en strafrechtelijke veroordelingen. Verder oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vanaf punt 3.7 van het bestreden arrest op omstandig en concreet gemotiveerde wijze dat uit het aanvankelijk bestreden bevel om het grondgebied te verlaten en inreisverbod wel degelijk een belangenafweging blijkt tussen de bijzondere omstandigheden van verzoekers privéleven en het algemeen belang van de staat, waarbij rekening werd gehouden met de door verzoeker aangevoerde elementen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dus de door artikel 8.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), vereiste belangenafweging onderzocht. Hij heeft deze toetsing eveneens betrokken op artikel 74/11 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Verder is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de plaats van de eerste rechter te oordelen of het al dan niet redelijk is uit de onderzochte elementen af te leiden dat verzoeker actueel een gevaar voor de openbare orde vormt noch om de gemaakte belangenafweging over te doen. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. Verzoeker werpt nog een schending op van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet doch hij licht niet anders dan met zijn supra behandelde kritiek betreffende de toepassing van artikel 8 van het EVRM en van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet toe hoe deze bepaling met het bestreden arrest zou zijn geschonden. XIV-37.911-2/3 Het enige middel is ook in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf februari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.911-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.188 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.