← België

Cassatiebeschikking 13190 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 14 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.190 Rolnummer: A. 227097/XIV-37912 Zaak: Cassatiebeschikking 13190 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 14/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-27 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-25 05:50 Fiche Beschikking nr 13.190 van 14 februari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.190 van 14 februari 2019 in de zaak A. 227.097/XIV-37.912 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ------------------------------------------------------------------------------------------------------ Het cassatieberoep, ingesteld op 28 december 2018, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 213.059 van 27 november 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor XIV-37.912-1/6 Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 2.
  2. Met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, na eerst de inhoud van het vertrouwensbeginsel op algemene wijze te hebben omschreven, geoordeeld dat “[v]an een schending van het vertrouwensbeginsel […] slechts sprake [kan] zijn indien aan drie voorwaarden is voldaan: het bestaan van een bestuurlijke vergissing, het ten gevolge van die vergissing verlenen van een voordeel aan de kandidaat-vluchteling en de afwezigheid van gewichtige redenen om het verleende voordeel terug te vorderen” en dat “[v]erzoekende partij […] niet uiteen [zet] op welke wijze aan deze voorwaarden zou zijn voldaan”. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met deze beoordeling en in het bijzonder met de verwijzing naar de drie door de Raad van State omschreven voorwaarden voor een schending van het vertrouwensbeginsel, de inhoud van het vertrouwensbeginsel heeft miskend. In de mate verzoeker vervolgens aanvoert dat hij gelet op de verstreken tijdsduur - het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kreeg reeds op 20 september 2017 een vraag tot intrekking van de vluchtelingenstatus van verzoeker en heeft hem op 15 december 2017 daaromtrent gehoord, maar pas op 24 april 2018 de vluchtelingenstatus ingetrokken - en de termijn bedoeld in artikel 49, § 2, derde lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) - dat bepaalt de beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus genomen moet worden binnen een termijn van zestig werkdagen - erop mocht vertrouwen dat zijn vluchtelingenstatus niet zou worden ingetrokken, herhaalt hij het door hem tegen de aanvankelijk bestreden beslissing aangevoerde middelonderdeel met betrekking tot XIV-37.912-2/6 de schending van het vertrouwensbeginsel. De Raad van State is als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd om de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing te beoordelen, noch om in de plaats van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de feiten te beoordelen en zich uit te spreken of een bepaalde handelwijze al dan niet in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 2.
  3. Aangaande de door verzoeker aangevoerde schending van de redelijketermijnvereiste als beginsel van behoorlijk bestuur doordat pas op 24 april 2018 werd beslist om de vluchtelingenstatus in te trekken, terwijl het Commissariaat- generaal de vraag tot intrekking reeds op 20 september 2017 had ontvangen en verzoeker op 15 december 2017 daaromtrent heeft gehoord, terwijl artikel 49, § 2, derde lid, van de vreemdelingenwet bepaalt dat de beslissing tot intrekking van de vluchtelingenstatus genomen moet worden binnen een termijn van zestig werkdagen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geoordeeld dat “de door artikel 49, § 2, vierde lid van de Vreemdelingenwet gestelde termijn van zestig werkdagen […] een termijn van orde betreft”, “dat de Vreemdelingenwet geen sanctie voorziet indien deze termijn overschreden wordt” en dat “[v]erzoeker […] overigens niet concreet [aantoont] benadeeld te zijn door de langere beslissingstermijn nu hij langer de status van vluchteling heeft kunnen behouden”. Uit deze motivering blijkt duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker aangevoerde schending van de redelijketermijnvereiste als beginsel van behoorlijk bestuur mee in zijn beoordeling heeft betrokken en in het bestreden arrest erop heeft geantwoord. Daarmee is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Ten onrechte beweert verzoeker dat in het bestreden arrest geen beoordeling in concreto wordt gemaakt. Er wordt specifiek voor verzoeker vastgesteld dat hij niet concreet aantoont benadeeld te zijn door de langere beslissingstermijn nu hij langer de status van vluchteling heeft kunnen behouden. In de mate verzoeker in het middelonderdeel vervolgens de juistheid van de voormelde beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in twijfel trekt, strekt zijn kritiek ertoe de appreciatie XIV-37.912-3/6 door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 2.
  4. Ten onrechte betoogt verzoeker in het derde onderdeel van het eerste middel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot de door hem aangevoerde schending van het rechtszekerheidsbeginsel de in artikel 49, § 2, derde lid, van de vreemdelingenwet bedoelde termijn niet in zijn beoordeling zou hebben betrokken. In het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers overwogen dat “[d]aar waar verzoeker de schending van het rechtszekerheidsbeginsel opwerpt en stelt ‘dat zijn vluchtelingenstatus niet zou worden ingetrokken, gelet op het uitblijven van een dergelijke beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen binnen de wettelijke termijn van zestig werkdagen (en de werkdagen die daarop volgden)’, lijkt hij te suggereren dat hij ervan uitging dat het stellen van strafbare handelingen nooit gevolgen zou kunnen hebben op zijn erkenning als vluchteling. De Raad meent desbetreffend dat hiermede andermaal wordt bevestigd dat verzoeker noch schuldinzicht, noch berouw toont voor zijn crimineel gedrag.” Er wordt aldus uitdrukkelijk verwezen naar de in artikel 49, § 2, derde lid, van de vreemdelingenwet bedoelde termijn van zestig dagen. In de mate verzoeker in het middelonderdeel ook de juistheid van de beoordeling van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot de aangevoerde schending van het rechtszekerheidsbeginsel betwist, weze herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden en de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. Het derde onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-37.912-4/6
  5. Verzoeker geeft met zijn kritiek in het tweede middel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest heeft overwogen dat artikel 33 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (het Vluchtelingenverdrag) het ook mogelijk maakt om tot intrekking van de erkenning als vluchteling over te gaan, terwijl dit niet voorzien is in het voornoemde artikel, blijk van een onvolledige lezing van het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft immers in eerste instantie overwogen dat de in artikel 55/3/1, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde mogelijkheid om de vluchtelingenstatus in te trekken “uitdrukkelijk [wordt] toegestaan door artikel 14.4 van de Richtlijn 2011/95/EU” en overweegt vervolgens dat die intrekking “geenzins […] in strijd [is] met de vluchtelingenconventie”, dat “[i]ntegendeel, artikel 33, tweede lid van de vluchtelingenconventie [toelaat] om een erkend vluchteling te verwijderen zelfs naar zijn land van herkomst om dezelfde redenen die worden aangehaald in artikel 55/3/1, § 1 met name wanneer hij een gevaar vormt voor de samenleving, omdat hij definitief veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf, of als er redelijke gronden bestaan om hem te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid” en dat “artikel 55/3/1 […] bijgevolg een uitgebreidere bescherming [biedt] dan de uitzondering op het non-refoulement beginsel waarin artikel 33, tweede lid voorziet, door veeleer te opteren voor een advies over de verenigbaarheid van een eventuele verwijderingsmaatregel met de vluchtelingenconventie door een verwijzing naar de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de intrekking van de vluchtelingenstatus dus niet gesteund op artikel 33, tweede lid, van het vluchtelingenverdrag, maar geoordeeld dat die intrekking er niet onverenigbaar mee is. In de mate verzoeker in het middel aanvoert dat een intrekking van de vluchtelingenstatus niet anders beschouwd kan worden dan als een uitsluiting van de vluchteling van de vluchtelingenstatus en dat in het vluchtelingenverdrag voorzien is in de mogelijkheid om de vluchtelingenstatus in te trekken van een persoon die een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of een ernstige bedreiging vormt voor de samenleving van het onthaalland, herhaalt verzoeker hetgeen hij in het XIV-37.912-5/6 eerste onderdeel van het tweede middel voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen heeft aangevoerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft evenwel in het bestreden arrest daaromtrent terecht overwogen dat “artikel 55/3/1, § 1, van de Vreemdelingenwet geenszins een uitsluitingsgrond betreft, doch de verwerende partij enkel toelaat de vluchtelingenstatus in te trekken”. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op veertien februari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.912-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.190 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.