id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.202 Rolnummer: A. 227248/XIV-37927 Zaak: Cassatiebeschikking 13202 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-08 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-25 06:24 Fiche Beschikking nr 13.202 van 20 februari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.202 van 20 februari 2019 in de zaak A. 227.248/XIV-37.927 In zake : XXXXX die woonplaats kiest te 2060 Antwerpen Van Arteveldestraat 29 bus 31 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 januari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 214.235 van 19 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat “- naast een formele motivering waarom er grond is tot het opleggen van een inreisverbod -, wel degelijk ook [wordt] gemotiveerd waarom de gemachtigde van de staatssecretaris het nodig achtte verzoekster een inreisverbod voor een duur van drie jaar op XIV-37.927-1/3 te leggen en dit aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval”. Daartoe haalt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt verwezen naar “de hardnekkigheid van verzoekster om illegaal op het grondgebied te verblijven, en het gegeven dat zij geen enkele poging deed om gebruik te maken van de geboden mogelijkheden tot ondersteuning bij vrijwillige terugkeer” en naar de vaststelling “dat verzoekster trachtte een wettelijke samenwoning te laten registreren, die louter was gericht op een verblijfsrechtelijk voordeel”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “wordt concreet toegelicht waarom in het voorliggende geval het gepast is de duur van het inreisverbod op drie jaar te bepalen en [beperkt] deze motivering […] zich niet tot de vaststellingen dat geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegestaan of niet is voldaan aan de terugkeerplicht”. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzocht of overeenkomstig artikel 74/11 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ de duur van het inreisverbod was gemotiveerd in de aanvankelijk bestreden beslissing. Als administratieve cassatierechter is de Raad van State niet bevoegd om het afdoende karakter van deze motivering zelf te beoordelen. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Met de algemene bewering dat zij “reeds enige tijd in België verblijft en hier sedertdien een nieuw leven heeft opgebouwd”, gaat verzoekster volledig voorbij aan de motivering in punt 2.2.2 van het bestreden arrest betreffende de door haar voorgehouden schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). Bovendien is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden wat betreft het al dan niet bestaan van een beschermingswaardig privéleven. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Artikel 6 van het EVRM is niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied. XIV-37.927-2/3 Het derde middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig februari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.927-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.202 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div