id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.206 Rolnummer: A. 227188/XIV-37918 Zaak: Cassatiebeschikking 13206 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-14 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-25 06:54 Fiche Beschikking nr 13.206 van 26 februari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.206 van 26 februari 2019 in de zaak A. 227.188/XIV-37.918 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marie-Pierre de Buisseret kantoor houdend te 1000 Brussel Saint-Quentinstraat 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 januari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 213.674 van 10 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- In een eerste onderdeel van het enige middel acht verzoeker de artikelen 48/4, § 2, c, en 48/5, § 3, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden. Met verwijzing naar enkele internationale verslagen zet hij uiteen “dat de situatie in Jalalabad weldegelijk een reëel risico vormt op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 § 2 c Vreemdelingenwet”. XIV-37.918-1/5 Met dergelijke uiteenzetting vraagt verzoeker in wezen een nieuw onderzoek van de mogelijkheid van een intern vluchtalternatief. Als administratieve cassatierechter is de Raad van State echter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- In een tweede onderdeel van het eerste middel acht verzoeker artikel 48/5 van de vreemdelingenwet geschonden omdat hij ingevolge zijn jarenlang verblijf in België zal worden geviseerd door opstandelingen na zijn terugkeer in Afghanistan en omdat de verwijzing in het bestreden arrest naar het enkele feit dat verzoeker twee keer in Afghanistan heeft verbleven manifest onvoldoende is en niet kan worden beschouwd als een serieus onderzoek. Verzoeker gaat eraan voorbij dat zowel in het bestreden arrest als in de aanvankelijk bestreden beslissing, waarvan de motivering ten dele wordt hernomen in dat arrest, geen geloof wordt gehecht aan de door verzoeker voorgehouden problemen met de Taliban zodat deze niet als een ernstige belemmering voor hervestiging in het land van herkomst worden beschouwd. In het bestreden arrest wordt niet enkel aangehaald dat verzoeker “enkele keren in Jalalabad is geweest”, maar ook dat hij er de laatste vier jaar voor zijn vertrek een winkel heeft uitgebaat en hij dus niet enkel over de nodige vaardigheden maar ook over de nodige contacten en ondersteuning beschikt. Specifiek betreffende “de risico’s voor verwesterde terugkeerders”, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker “niet aan[toont] dat hij omwille van zijn langdurig verblijf in het buitenland zich niet meer zou willen of kunnen schikken naar de in Afghanistan vigerende wetten, regels of gebruiken of dat hij omwille van zijn opvattingen ernstige schade riskeert”. Er wordt besloten dat verzoeker “dan ook niet in concreto aan[toont] dat hij thans bij een terugkeer naar Afghanistan omwille van zijn langdurig verblijf in Europa een doelwit zal vormen voor de taliban of andere gewapende groeperingen”. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met die beoordeling de inhoud van artikel 48/5 van de vreemdelingenwet zou hebben geschonden. Het zij herhaald dat de Raad van State als XIV-37.918-2/5 administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden.
- In een derde onderdeel van het enige middel merkt verzoeker op “dat de asielinstanties erkennen dat er in Afghanistan een gewapend conflict bestaat maar stellen dat er in bepaalde regio’s geen sprake zou zijn van willekeurig geweld in de zin van artikel 48/4 § 2 c Vreemdelingenwet, o.a. in Kaboel, Jalalabad en Mazar-i-sharif”. Verzoeker vervolgt dat er “volgens de asielinstanties […] een vestigingsalternatief [is] in Jalalabad, daar er geen ‘open combat’ zou zijn en alleen de ‘high profiles’ geviseerd worden in de aanslagen”. Hij beschouwt deze twee laatste elementen als bijkomende voorwaarden die niet zijn voorzien in artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet of in artikel 15, c, van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95). In ondergeschikte orde vraagt verzoeker over de toepassing van de begrippen open combat en high profiles een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. In het bestreden arrest wordt vermeld dat complexe aanslagen in Jalalabad bijna zonder uitzondering zijn gericht tegen high profile-doelwitten waardoor ook burgers zonder specifiek profiel gedood of verwond worden en dat daarnaast ook aanslagen “met of zonder aanwijsbaar doelwit” plaatsvinden in de nabijheid van duidelijk burgerlijke infrastructuur. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt ook op dat, niettegenstaande zich in Jalalabad met enige regelmaat terreuraanslagen voordoen, er geen gewag kan worden gemaakt dat een situatie van open combat of van hevige en voortdurende of ononderbroken gevechten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dan dat, “niettegenstaande er sprake is van toename van het aantal burgerslachtoffers bij aanslagen in Jalalabad, […] uit de beschikbare informatie [blijkt] dat het aantel burgerslachtoffers in de stad laag blijft”, dat “de impact van de beschreven aanslagen […] niet van dien aard [is] dat het inwoners dwingt hun woonplaats te verlaten” en dat “bovendien […] de stad [blijkt] een toevluchtsoord te zijn voor burgers die het geweld in andere districten en provincies ontvluchten”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dienaangaande “dat er voor burgers in Jalalabad actueel geen risico bestaat om het slachtoffer te worden van een ernstige bedreiging van hun leven of persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict” en dat XIV-37.918-3/5 “er […] actueel voor burgers in de stad Jalalabad aldus geen reëel risico [is] op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet”. Derhalve wordt in het bestreden arrest niet gesteld dat sprake moet zijn van een open combat of dat niet enkel high profiles worden geviseerd als voorwaarden voor de toepassing van artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet. Deze feitelijke omstandigheden worden weliswaar aangehaald doch als motief om te besluiten dat er in Jalalabad geen reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet steunt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich erop dat het aantal burgerslachtoffers laag blijft, dat de inwoners door de aanslagen niet worden gedwongen de stad te ontvluchten doch dat ze integendeel een toevluchtsoord is voor burgers die elders het geweld ontvluchten. Verzoekers kritiek berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. De door verzoeker voorgestelde prejudiciële vragen zijn derhalve niet dienstig voor de oplossing van het geschil. In de mate dat verzoeker met een eigen visie op de toestand in Afghanistan aangeeft dat in zijnen hoofde wel sprake zou zijn van een reëel risico op ernstige schade, zij herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.918-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig februari tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.918-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.206 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div