← België

Cassatiebeschikking 13215 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.215 Rolnummer: A. 227227/XIV-37923 Zaak: Cassatiebeschikking 13215 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-25 08:00 Fiche Beschikking nr 13.215 van 11 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.215 van 11 maart 2019 in de zaak A. 227.227/XIV-37.923 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 januari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 213.975 van 13 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 februari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) is niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De drie middelen zijn in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. XIV-37.923-1/3
  2. Uit de motivering in punt 2.19 van het bestreden arrest, die door verzoekster in het eerste cassatiemiddel wordt geciteerd, blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de aanvankelijk bestreden beslissing een intrekking van de machtiging of toelating tot verblijf betreft in de zin van artikel 74/20, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Het vormt geen tegenstrijdige motivering in het bestreden arrest door vast te stellen dat, hoewel de begrippen “einde aan het verblijf” en “intrekking” door elkaar worden gebruikt in de aanvankelijk bestreden beslissing, het duidelijk gaat om een intrekking in de zin van het voornoemde artikel 74/20, §
  3. Het eerste middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  4. Verzoeksters kritiek faalt naar recht waar zij voorhoudt dat artikel 74/20 van de vreemdelingenwet de verplichting inhoudt om in dezelfde akte waarmee de machtiging tot toelating tot verblijf wordt ingetrokken reeds een bevel om het grondgebied te verlaten op te nemen. Uit die kritiek kan geen schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht worden afgeleid. Het tweede middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  5. Met het bestreden arrest wordt geen uitspraak gedaan over de echtheid of onechtheid van de huwelijksakte maar wordt vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing is genomen omdat verzoekster fraude heeft gepleegd door het huwelijk onder valse voorwendsels te zijn aangegaan en dat zij de huwelijksakte heeft voorgelegd om op onrechtmatige wijze aan een visum gezinshereniging te geraken en zo een verblijfsrecht te kunnen claimen in België. Met het betrekken van die elementen in zijn wettigheidscontrole heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch artikel 27 van het wetboek van Internationaal Privaatrecht noch artikel 74/20 van de vreemdelingenwet geschonden. Uit verzoeksters kritiek dienaangaande kan geen schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht worden afgeleid. Het derde middel is in die mate kennelijk ongegrond. XIV-37.923-2/3 BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf maart tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.923-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.