id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.218 Rolnummer: A. 227232/XIV-37925 Zaak: Cassatiebeschikking 13218 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-21 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-25 08:01 Fiche Beschikking nr 13.218 van 11 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.218 van 11 maart 2019 in de zaak A. 227.232/XIV-37.925 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hanne Vander Velpen kantoor houdend te 2020 Antwerpen Atletenstraat 31 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 januari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 214.180 van 18 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De materiëlemotiveringsplicht is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker voert niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van dit beginsel zou hebben geschonden met het bestreden arrest. XIV-37.925-1/3 Verzoeker werpt een schending op van de artikelen 74/11 en 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), doch hij heeft dergelijke schending niet opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch heeft deze laatste er zich in het bestreden arrest over uitgesproken. Hij vermag derhalve niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie een schending in te roepen van de voornoemde bepalingen. Bovendien betreffen die bepalingen respectievelijk een inreisverbod en een beslissing tot verwijdering, terwijl het bestreden arrest enkel betrekking heeft op een beslissing tot weigering van een machtiging tot verblijf op basis van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker betwist het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verwerende partij in de aanvankelijk bestreden beslissing heeft kunnen oordelen dat verzoeker een actueel gevaar voor de openbare orde vormt en dat de verwerende partij een correcte belangenafweging heeft gemaakt omtrent verzoekers privéleven. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft in punt 3.3.7 van het bestreden arrest aan waarom hij het niet onredelijk acht dat verzoeker in de aanvankelijk bestreden beslissing wordt beschouwd als een actueel gevaar voor de openbare orde. Hij benadrukt daarbij dat artikel 9bis van de vreemdelingenwet een gunstmaatregel is waarbij de verwerende partij beschikt over een uitgebreide appreciatiebevoegdheid. In de punten 3.3.8 tot en met 3.3.10 wordt de door verzoeker aangehaalde chronologie van de feiten uitgebreid onderzocht. In punt 3.3.13 van het bestreden arrest geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op concreet gemotiveerde wijze aan dat de in de aanvankelijk bestreden beslissing gemaakte belangenafweging ook in het licht van de door verzoeker aangevoerde elementen, in het bijzonder de chronologie van de feiten, niet onredelijk of disproportioneel is en dit overeenkomstig artikel 8.2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni
- Verder is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de plaats van de eerste rechter te oordelen of het al dan niet redelijk is uit de onderzochte elementen af te leiden dat verzoeker actueel een gevaar voor de openbare orde vormt noch om de gemaakte belangenafweging over te doen. XIV-37.925-2/3 Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf maart tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.925-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.218 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div