← België

Cassatiebeschikking 13219 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.219 Rolnummer: A. 227348/XIV-37937 Zaak: Cassatiebeschikking 13219 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-26 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-25 08:02 Fiche Beschikking nr 13.219 van 11 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.219 van 11 maart 2019 in de zaak A. 227.348/XIV-37.937 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX
  4. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 februari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 215.383 van 18 januari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 februari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) is niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De drie middelen zijn in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. XIV-37.937-1/4
  6. In de zaak die tot het bestreden arrest heeft geleid was de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel gevat door een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, ingesteld op 14 januari 2019 en gericht tegen de beslissingen van de verwerende partij van 8 januari 2019 tot afgifte van de bevelen om het grondgebied te verlaten met vasthouding met het oog op verwijdering (bijlagen 13septies) en tot het opleggen van inreisverboden (bijlagen 13sexies). In het bestreden arrest wordt overwogen dat de verzoekers daarnaast op 16 januari 2019 een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld tegen de beslissing van de verwerende partij van 4 december 2018 waarmee de aanvraag van de verzoekers op grond van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) niet- ontvankelijk werd verklaard. Vermits de vordering die tot het bestreden arrest heeft geleid geen betrekking had op de beslissing waarmee de aanvraag van de verzoekers niet- ontvankelijk werd verklaard, diende de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest geen uitspraak te doen over de wettigheid van de voornoemde beslissing van 4 december 2018 en is er wat dat betreft geen sprake van rechtsweigering. De door de verzoekers op 16 januari 2019 ingestelde vordering tot schorsing en beroep tot nietigverklaring van de meergenoemde beslissing van 4 december 2018 schorst niet de uitvoerbaarheid van deze beslissing. Derhalve vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op wettige wijze rekening te houden met de inhoud van die beslissing. Het eerste middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  7. De verzoekers hebben ervoor gekozen enerzijds op 14 januari 2019 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen tegen de beslissingen van 8 januari 2019 houdende bevel om het grondgebied te verlaten met bevel tot vasthouding en inreisverbod, vordering die tot het bestreden arrest heeft geleid, en anderzijds op 16 januari 2019 een gewone vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen de beslissing van 4 december 2018 waarmee hun aanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet niet-ontvankelijk werd verklaard. In het bestreden arrest wordt niet als voorwaarde gesteld dat de verzoekers voorlopige maatregelen hadden moeten vragen, er wordt enkel vastgesteld dat zij XIV-37.937-2/4 geen vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid noch een vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen hebben ingesteld tegen de voornoemde beslissing van 4 december
  8. Deze vaststelling vormt geen schending van artikel 39/85 van de vreemdelingenwet. De schending van artikel 13 van het EVRM betreffende het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. Te dezen koppelen de verzoekers de voorgehouden schending van artikel 13 van het EVRM enkel aan de schending van artikel 6 van het EVRM. Het middel is wat deze laatste verdragsbepaling betreft echter niet-ontvankelijk bevonden. Vermits de schending van een ander door het EVRM beschermd recht of vrijheid dus niet aan de orde is, kunnen de verzoekers niet op ontvankelijke wijze een schending van artikel 13 van het EVRM aanvoeren. Het tweede middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  9. De verzoekers voeren met verwijzing naar een nota in het administratief dossier aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet nuttig zou hebben kunnen motiveren dat door het vertoonde risicogedrag van de verzoekers alsnog werd afgeweken van de termijn van 30 dagen om het land te verlaten. Daargelaten de vraag of de kritiek van de verzoekers niet enkel betrekking heeft op een modaliteit van de aanvankelijk bestreden beslissing en of de verzoekers in wezen geen nieuwe beoordeling van de zaak zelf voorstellen, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is, gaan de verzoekers voorbij aan de vaststellingen in het bestreden arrest betreffende de concrete motivering in de aanvankelijk bestreden beslissing om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te staan. De verwijzing door de verzoekers naar een voorafgaande nota in het administratief dossier doet geen afbreuk aan de beoordeling in het bestreden arrest van de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing zelf. Het derde middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-37.937-3/4 BESLUIT:
  10. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  11. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 800 euro, ieder voor een vierde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf maart tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.937-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.219 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.