id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.220 Rolnummer: A. 227225/XIV-37921 Zaak: Cassatiebeschikking 13220 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-26 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-25 08:12 Fiche Beschikking nr 13.220 van 13 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.220 van 13 maart 2019 in de zaak A. 227.225/XIV-37.921 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Buyck kantoor houdend te 2000 Antwerpen Lombardenvest 34 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 januari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 214.173 van 18 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 31 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker acht de motivering in het bestreden arrest om zijn langdurig voorafgaand verblijf niet te aanvaarden als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: XIV-37.921-1/5 de vreemdelingenwet) “onredelijk en niet [in] overeenstemming met de bepalingen van artikel 9bis van de vreemdelingenwet”. Het redelijkheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Als administratieve cassatierechter vermag de Raad van State niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden en is hij bijgevolg niet bevoegd te oordelen of een aangevoerd langdurig verblijf al dan niet een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9bis van de vreemdelingenwet is. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Volgens verzoeker heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet geantwoord op zijn kritiek dat “nagegaan diende te worden of de door verzoeker aangehaalde elementen geen hinder vormden, om de aanvraag op reguliere wijze in te dienen en bijgevolg een buitengewone omstandigheid konden uitmaken”. In het bestreden arrest zou geen marginale toetsing zijn uitgevoerd. Verzoeker gaat eraan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de aanvankelijk bestreden beslissing niet leest dat verzoeker als minderjarige op eigen houtje had moeten terugkeren naar China maar oordeelt dat de nietigverklaring van het huwelijk van verzoekers vader in 2009 en de afgifte van een bevel om het grondgebied aan verzoekers vader, verzoekers zus en verzoeker zelf in die beslissing worden vermeld als voorgaanden. Vervolgens verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen naar de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat het feit dat verzoeker perfect Nederlands spreekt, hier een voltallige vrienden- en kennissenkring heeft en werkbereid is, elementen betreft die tot de gegrondheid van de aanvraag behoren en niet in de fase van de ontvankelijkheid worden behandeld. In het licht van de rechtspraak van de Raad van State in die zin, acht de Raad van State de voornoemde beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing niet kennelijk onredelijk. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat ook in op de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing van het feit dat verzoeker een opleiding volgt aan een hogeschool in Antwerpen. Dienaangaande wordt in het bestreden arrest overwogen dat de aanvankelijk bestreden beslissing werd genomen toen het XIV-37.921-2/5 academiejaar 2017-2018 was afgelopen, dat verzoeker niet langer school- of leerplichtig is, dat verzoeker minstens op het ogenblik van zijn meerderjarigheid kennis had van de illegaliteit van zijn verblijf, dat verzoeker zelf rechtspraak aanhaalt dat het onderbreken van een schooljaar geen buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9bis vormt en dat verzoeker met de loutere bewering dat de duur voor het eventuele toekennen van een studentenvisum uit het oog wordt verloren, niet het motief weerlegt dat hij op basis van een studentenvisum kan terugkeren naar België om hier zijn studies verder te zetten. Wat de mogelijkheid van een terugkeer naar China betreft om zijn aanvraag via de normale weg in te dienen, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de motieven in de aanvankelijk bestreden beslissing dat “het erg onwaarschijnlijk [lijkt] dat betrokkene geen familie, vrienden of kennissen meer zou hebben in het land van herkomst waar hij voor korte tijd zou kunnen verblijven in afwachting van een beslissing in het kader van zijn aanvraag tot regularisatie” en dat “bovendien […] de vader van betrokkene ook [verblijft] in precair verblijf en […] hij betrokkene [kan] vergezellen naar het land van herkomst”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst verder op het motief dat het verzoeker vrij staat om voor zijn terugkeer een beroep te doen op de Internationale Organisatie voor Migratie om zo de nodige steun en andere bijstand te krijgen voor een terugreis. Hierbij verduidelijkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog dat uit het recht op onderwijs in beginsel geen verblijfsrecht kan worden geput. Uit de motivering van het bestreden arrest blijkt derhalve dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk zijn in artikel 39/2, § 2, van de vreemdelingenwet bepaalde bevoegdheid heeft uitgeoefend door de aanvankelijk bestreden beslissing te toetsen aan het redelijkheidsbeginsel en aan artikel 9bis van de vreemdelingenwet wat de door verzoeker aangevoerde buitengewone omstandigheden betreft. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
- Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest niet ingegaan op de door hem voorgehouden schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). XIV-37.921-3/5 Verzoeker toont niet de onwettigheid aan van het motief in het bestreden arrest dat hij een zeer uitgebreide theoretische uiteenzetting geeft zonder concreet aan te duiden uit welke leden het gezin of zijn familie bestaan, minstens dat hij desgevallend het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet aantoont. Wat verzoekers privéleven betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de aangevoerde elementen zijn onderzocht in het kader van de aangevoerde buitengewone omstandigheden en dat verzoeker er niet in slaagt om hinderpalen aan te tonen die de terugkeer zouden belemmeren. Wat de belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM betreft, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op de motieven in de aanvankelijk bestreden beslissing dat de terugkeer naar het land van herkomst om aldaar een machtiging aan te vragen niet in disproportionaliteit staat ten aanzien van het recht op gezins- of privéleven, dat de terugkeer naar het land van herkomst geen breuk van de familiale relaties betekent maar enkel een tijdelijke verwijdering die geen ernstig en moeilijk te herstellen nadeel met zich meebrengt en dat betrokkene onvoldoende aantoont dat zijn netwerk van persoonlijke, sociale en economische belangen van die orde zou zij dat een tijdelijke terugkeer een schending van artikel 8 van het EVRM zou betekenen. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan verzoeker niet worden bijgetreden waar hij voorhoudt dat op geen enkele wijze rekening wordt gehouden met zijn privéleven, het centrum van zijn sociale belangen of de aangehaalde elementen en worden de voornoemde motieven niet onderuit gehaald “door steeds opnieuw en tevens op algemene wijze te verwijzen naar dezelfde elementen en aan te geven een andere mening te zijn toegedaan”. Daarnaast merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog op “dat, zelfs al zou verzoeker met zijn uitgebreid, doch bovenal herhalend, algemeen en theoretisch betoog het bestaan van zijn privéleven hebben aangetoond, hij hoe dan ook niet aantoont dat de opgebouwde banden van die aard en intensiteit zijn dat zij in casu onder de bescherming van artikel 8 van het EVRM zouden kunnen vallen”. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk de door verzoeker gevraagde toetsing van de aanvankelijk bestreden beslissing aan artikel 8 van het EVRM heeft doorgevoerd, ook wat de proportionaliteit betreft. Vermits artikel 8 van het EVRM geen bijzondere motiveringsplicht bevat, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich daartoe ook steunen op de motieven betreffende het niet voorhanden zijn van de in artikel 9bis van de vreemdelingenwet bedoelde buitengewone omstandigheden. De Raad van State vermag XIV-37.921-4/5 echter niet deze elementen opnieuw af te wegen vermits hij als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien maart tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.921-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.220 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div