← België

Cassatiebeschikking 13222 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.222 Rolnummer: A. 227253/XIV-37928 Zaak: Cassatiebeschikking 13222 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-26 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-25 08:13 Fiche Beschikking nr 13.222 van 13 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.222 van 13 maart 2019 in de zaak A. 227.253/XIV-37.928 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 januari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 213.912 van 13 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 januari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de XIV-37.928-1/11 jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De bewijskracht van een akte is slechts miskend indien de uitlegging die de rechter eraan geeft onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan.
  2. Ten onrechte voert verzoeker in het eerste onderdeel van het middel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft geantwoord op zijn argumentatie dat uit nieuwe landeninformatie, toegevoegd in de aanvullende nota - verzoeker verwijst meer specifiek naar de bijlagen 6 tot 8 - blijkt dat er persoonlijke omstandigheden voorhanden zijn die in zijn geval de ernst van de bedreiging die voortvloeit uit het willekeurig geweld in Afghanistan dermate verhogen dat, hoewel de mate van geweld niet dermate hoog is op het gehele Afghaanse grondgebied dat elke burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon, er niettemin moet worden aangenomen dat in zijn hoofde wel een dergelijk reëel risico bestaat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest immers vooreerst dat de door verzoeker samen met zijn aanvullende nota neergelegde stukken “niet van aard [zijn] afbreuk te doen aan bovenstaande vaststellingen” - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst daarmee naar zijn conclusie dat er “voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de Vreemdelingenwet bestaat”. Alleen al daaruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie omtrent het voorhanden zijn van persoonlijke omstandigheden die maken dat verzoeker een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon zoals bedoeld in artikel 48/2, § 2, c, van de vreemdelingenwet, wel bij zijn beoordeling heeft betrokken maar heeft afgewezen. Specifiek met betrekking tot de stukken waarnaar verzoeker verwijst en zijn argumentatie ter zake, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan nog dat de bewuste stukken “recente rapporten [betreffen] waarin gewag wordt gemaakt van het potentiële risicoprofiel van Hazara’s in Afghanistan (bijlagen 6-8)”, dat “nergens uit deze rapporten blijkt dat er in Afghanistan sprake zou zijn van een systematische vervolging van personen louter omwille van het feit dat zij sjiiet en/of Hazara zijn”; dat “[d]e loutere verwijzing naar de algemene situatie van Hazara in Afghanistan […] dan ook niet [volstaat] XIV-37.928-2/11 om aan te tonen dat verzoekende partij in haar land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd” en dat “[d]eze vrees voor vervolging […] immers in concreto [dient] te worden aangetoond, alwaar zij in gebreke blijft”. Met deze overwegingen is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Er blijkt immers duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie met betrekking tot het voorhanden zijn van persoonlijke omstandigheden die maken dat verzoeker een reëel risico loopt te worden blootgesteld aan een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon, heeft afgewezen. Verzoeker toont geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht of van artikel 39/2, § 1, alinea 2, 2°, van de vreemdelingenwet. Het eerste onderdeel van het middel is kennelijk ongegrond.
  3. In het bestreden arrest komt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot het besluit dat er “voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de Vreemdelingenwet bestaat”, onder meer op grond van de vaststelling “dat het district Gizab onder de controle van de Afghaanse veiligheidsdiensten valt”. Anders dan verzoeker in het tweede onderdeel van het middel aanvoert, blijkt uit het bestreden arrest duidelijk op grond van welke gegevens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot die conclusie komt. Zo steunt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich blijkens het bestreden arrest op het onderzoek van Cedoca waaruit blijkt dat sinds enkele jaren verandering komt in de situatie waarbij de taliban 80% van het district controleert, op een verklaring van een generaal van het Afghaanse nationale leger die de val van het district ontkent, op het gegeven dat Cedoca geen informatie vond waaruit blijkt dat het district Gizab in 2016 daadwerkelijk in de handen van de taliban is gevallen, op het feit dat de taliban in maart 2017 zelf stellen dat de Afghaanse overheid het districtscentrum van Gizab onder haar controle heeft, en op bronnen waaruit niet blijkt dat een deel van het district Gizab onder controle zou zijn van de taliban. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst dienaangaande naar Tolo News dat in april 2017 stelde dat het district Gizab volledig onder controle van de Afghaanse veiligheidsdiensten is, naar de kaart van de Special Inspector General for Afghanistan Reconstruction (SIGAR) van januari 2018 waaruit blijkt dat het district Gizab volledig onder controle van de Afghaanse veiligheidsdiensten is en naar BBC News dat in januari 2018 eveneens stelde dat Gizab onder overheidscontrole valt. Voorts steunt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich voor zijn conclusie nog op de door verzoeker bij zijn verzoekschrift bijgevoegde geografische kaarten van verschillende districten in Afghanistan XIV-37.928-3/11 waaruit blijkt dat er in het district Gizab sprake is van een ‘lage’ openlijke aanwezigheid van de taliban, hetgeen ook wordt bevestigd in het EASO-rapport ‘Afghanistan Security Situation – Update’ van mei
  4. Ten slotte verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog naar de omstandigheid dat Cedoca geen verwijzing heeft gevonden naar enige conflict gerelateerde incidenten in Gizab in de periode januari 2018 tot 24 april 2018 en naar het feit dat de taliban, bij een poging in november 2017 om onder meer het district Gizab in te nemen, te maken kregen met sterke weerstand vanwege Afghaanse veiligheidsdiensten en werden verslagen. Hiermee is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet te motiveren waarom hij drie bronnen die een grotere controle door de taliban in het district rapporteren - het Institute for the Study of War (ISW) dat in maart 2017 stelde dat een deel van het district Gizab onder de controle was van de Taliban en dat het overige deel grotendeels beschouwd moest worden als een “high confidence taliban zone”, de taliban die in maart 2017 stellen dat zij het district Gizab met uitzondering van het districtcentrum in handen hebben en het The Long War Journal dat Gizab op 13 april 2018 kwalificeerde als gecontesteerd gebied - ter zijde schuift. De jurisdictionele motiveringsplicht vereist niet dat het rechtscollege specificeert welke de gronden voor zijn motieven zijn. Overigens blijkt uit de motivering van het bestreden arrest genoegzaam waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze drie bronnen ter zijde schuift. Zo oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat de stelling van het Institute for the Study of War dat een deel van het district Gizab onder de controle was van de Taliban en dat het overige deel grotendeels beschouwd moest worden als een “high confidence taliban zone” en dat de stelling van de taliban dat zij het district Gizab met uitzondering van het districtcentrum in handen hebben, geen steun vindt in andere bronnen zoals Tolo News, de kaart van de Special Inspector General for Afghanistan Reconstruction (SIGAR) van januari 2018 en BBC News en dat de stelling van The Long War Journal dat Gizab gecontesteerd gebied is en dat er sprake is van een grote stroom van IDP’s die vertrekken vanuit Gizab, wellicht als het gevolg van een verslechterde veiligheidssituatie in de regio, wordt ontkracht door het feit dat Cedoca in de geraadpleegde bronnen geen verwijzing heeft gevonden naar enige conflict gerelateerde incidenten in Gizab in de periode januari 2018 tot 24 april
  5. XIV-37.928-4/11 Eveneens ten onrechte voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van het rapport van het Institute for the Study of War, van het rapport van de taliban en van het rapport van The Long War Journal heeft geschonden. De bewijskracht van een akte is slechts geschonden indien de uitlegging die de rechter eraan geeft onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Te dezen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen uitleg gegeven die onverenigbaar is met de inhoud van de drie voornoemde akten. Hij besluit enkel op grond van andere bronnen om die akten ter zijde te schuiven bij zijn conclusie “dat het district Gizab onder de controle van de Afghaanse veiligheidsdiensten valt”. In de mate dat verzoeker in het middelonderdeel ten slotte nog de juistheid van die conclusie betwist, nodigt hij de Raad van State uit de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. Het tweede onderdeel van het middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  6. Het UNOCHA rapport ‘Humanitarian Needs Overview – Afghanistan’ van december 2017 werd door verzoeker neergelegd als een stuk bij zijn verzoekschrift. Bij de samenvatting van verzoekers argumentatie overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest: “[v]erzoekende partij verwijst tevens naar het UNOCHA rapport van december 2017 (bijlage 30 van het verzoekschrift) waaruit de ernst van het conflict in de regio van verzoekende partij blijkt”. Vervolgens oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het algemeen dat “[d]e door verzoekende partij bijgebrachte informatie […] geen afbreuk [doet] aan bovenstaande conclusie” - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst daarmee naar zijn conclusie dat er “voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de Vreemdelingenwet bestaat” - en overweegt dan nog specifiek “[o]mtrent de bijgebrachte kaart van UNOCHA (bijlage 30) die de conflictintensiteit in 2017 in haar regio aanduidt, […] dat dit niet volstaat om aan bovenstaande vaststellingen afbreuk te doen nu niet gepreciseerd wordt op welke concrete gegevens deze kaart gebaseerd is” en dat “[e]r dan ook niet uit geconcludeerd kan worden dat er actueel voor burgers in Gizab in XIV-37.928-5/11 de provincie Daykundi een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet bestaat”. In tegenstelling tot wat verzoeker in het derde onderdeel van het middel aanvoert blijkt uit de voormelde overwegingen duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het volledige UNOCHA rapport ‘Humanitarian Needs Overview – Afghanistan’ van december 2017 bij zijn onderzoek heeft betrokken, maar van oordeel is dat er niet uit kan worden afgeleid “dat er actueel voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet bestaat”. Van een schending van de jurisdictionele motiveringsplicht doordat uit de motivering van het bestreden arrest niet zou blijken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het volledige UNOCHA rapport ‘Humanitarian Needs Overview – Afhanistan’ van december 2017 ten gronde heeft onderzocht, is dan ook geen sprake. De conclusies die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt met betrekking tot het rapport zijn ook niet onverenigbaar met de bewoordingen of de inhoud ervan. Dat de kaart werd gepubliceerd door UNOCHA, hetgeen een orgaan is binnen de Verenigde naties, waardoor de kaart automatisch gewicht verkrijgt, doet aan die vaststelling geen afbreuk. Zoals gezegd blijkt uit de motivering van het bestreden arrest dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook daadwerkelijk rekening heeft gehouden met het volledige UNOCHA rapport ‘Humanitarian Needs Overview – Afhanistan’ van december 2017 en niet enkel met de kaart eruit. De conclusies die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt met betrekking tot het rapport ontkrachten die vaststelling niet. Van de door verzoeker aangevoerde schending van de bewijskracht van het UNOCHA rapport ‘Humanitarian Needs Overview – Afhanistan’ van december 2017 is derhalve evenmin sprake. In de mate het middelonderdeel ten slotte ertoe strekt de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot het UNOCHA rapport ‘Humanitarian Needs Overview – Afhanistan’ van december 2017 in twijfel te trekken, nodigt verzoeker de Raad van State uit om de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden. XIV-37.928-6/11 Het derde onderdeel van het middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  7. In het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie omtrent het aantal personen dat omwille van het conflict ontheemd werden (IDP’s) als volgt samengevat: “Ten slotte voert verzoekende partij nog aan dat ook naar het aantal ontheemden moet worden gekeken en wijst zij op cijfers omtrent het aantal personen dat haar district is ontvlucht. Sinds het begin van 2018 ontvluchtten meer dan 1300 mensen de regio. Uit informatie van UNOCHA blijkt dat men Gizab ontvlucht omwille van de onveiligheid. Dit vormt 2,4% van de totale bevolking. Deze informatie wordt bevestigd door informatie van ‘The Long War Journal’. Verzoeker vestigt de nadruk op de inschatting door UNOCHA van de veiligheidssituatie in Gizab in 2017, nog voor de massale uitstroom van vluchtelingen uit Gizab.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst vervolgens erop “dat artikel 48/4, § 2, c) van de Vreemdelingenwet bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict in het land van herkomst dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of de betrokken regio louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in voornoemd artikel van de Vreemdelingenwet bedoelde ernstige bedreiging”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen komt tot het besluit “dat er actueel voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet bestaat” en stelt vast dat “[d]e door verzoekende partij bijgebrachte informatie […] geen afbreuk [doet] aan bovenstaande conclusie”. Specifiek met betrekking tot de IDP’s overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest nog dat “LWJ (Long War Journal) […] in april 2018 [stelt] dat Gizab gecontesteerd gebied is” en “tevens gewag [maakt] van een grote stroom van IDP’s die vertrekken vanuit Gizab en [daaraan toevoegt] dat dit waarschijnlijk het gevolg is van een verslechterde veiligheidssituatie in de regio”, maar dat “Cedoca […] in de geraadpleegde bronnen echter geen verwijzing terug [vond] naar enige conflict gerelateerde incidenten in Gizab in de periode januari 2018 tot 24 april 2018 (datum waarop de COI Focus werd opgesteld)”; dat “de verwijzing van verzoekende partij naar het Afghanistan Weekly Field report: 2-8 april 2018 waarin gesteld wordt dat naar verluidt 300 mensen uit Gizab/Patoo district aangekomen zijn in het district Nili (bijlage 29), […] evenmin volstaat om aan te tonen dat er actueel voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi een reëel risico op ernstige schade in de zin van XIV-37.928-7/11 artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet bestaat” en dat “[w]at betreft de kaart van OCHA (bijlage 1 van de aanvullende nota) waaruit blijkt dat tussen 2 januari 2017 tot 12 november 2018 er 1599 IDP’s van Gizab district waren en inzake het ERM Household Assessment Report van 17 september 2018 (bijlage 2 van de aanvullende nota) waarin vermeld wordt dat er IDP’s uit het district Gizab aangekomen zijn in Nili ten gevolge van gevechten tussen de Taliban en de Afghaanse veiligheidsdiensten in Gizab district, […] de Raad van oordeel [is] dat dit niet volstaat om aan te tonen dat de veiligheidssituatie in Gizab er dermate is op achteruitgegaan dat er actueel voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet bestaat”. Uit deze overwegingen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker in het vierde onderdeel van het middel aanvoert, verzoekers argumentatie met betrekking tot het aantal personen dat omwille van het conflict werd ontheemd niet alleen heeft besproken in functie van het aantal conflictgerelateerde incidenten in de regio, maar ook heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of er actueel voor burgers uit het district Gizab een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet bestaat. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kwam evenwel tot de conclusie dat dit thans niet het geval is en heeft aldus verzoekers argumentatie in verband met de IDP’s als indicator van de onveiligheid verworpen. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in dit verband de jurisdictionele motiveringsplicht niet miskend. Eveneens ten onrechte klaagt verzoeker in het vierde middelonderdeel nog aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft gemotiveerd waarom verzoekers verwijzing naar het Afghanistan Weekly Field report: 2 - 8 april 2018, waarin gesteld wordt dat naar verluidt 300 mensen uit Gizab/Patoo district aangekomen zijn in het district Nili, niet volstaat om aan te tonen dat er actueel voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de vreemdelingenwet bestaat. Een uitspraak voldoet aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Te dezen is dit het geval. De jurisidictionele motiveringsplicht reikt niet zover dat de rechter moet specificeren welke de gronden voor zijn motieven zijn. XIV-37.928-8/11 In de mate verzoeker in het middelonderdeel ook de juistheid tracht te betwisten van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in verband met de argumentatie inzake het aantal personen dat omwille van het conflict werd ontheemd, weze herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden en de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. Het vierde onderdeel van het middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  8. Met betrekking tot de door verzoeker bij zijn aanvullende nota neergelegde stukken overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest eerst in het algemeen “dat deze stukken geen afbreuk doen aan bovenstaande analyse van de veiligheidssituatie in het district Gizab” en vervolgens meer specifiek voor de stukken 1 en 2 dat “[w]at betreft de kaart van OCHA (bijlage 1 van de aanvullende nota) waaruit blijkt dat tussen 2 januari 2017 tot 12 november 2018 er 1599 IDP’s van Gizab district waren en inzake het ERM Household Assessment Report van 17 september 2018 (bijlage 2 van de aanvullende nota) waarin vermeld wordt dat er IDP’s uit het district Gizab aangekomen zijn in Nili ten gevolge van gevechten tussen de Taliban en de Afghaanse veiligheidsdiensten in Gizab district, […] de Raad van oordeel [is] dat dit niet volstaat om aan te tonen dat de veiligheidssituatie in Gizab er dermate is op achteruitgegaan dat er actueel voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de Vreemdelingenwet bestaat”. Anders dan verzoeker beweert, miskent de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hiermee niet de bewijskracht van voornoemde stukken. De conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is immers niet geheel onverenigbaar met de bewoordingen of de inhoud ervan. Uit deze documenten blijkt namelijk niet dat de veiligheidssituatie in Gizab er wel dermate is op achteruitgegaan dat er actueel voor burgers in Gizab een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de vreemdelingenwet bestaat. Dat verzoeker van oordeel is dat uit die stukken een serieuze achteruitgang van de veiligheidssituatie in het district Gizab blijkt, doet aan die vaststelling geen afbreuk. XIV-37.928-9/11 Ten onrechte meent verzoeker dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest ook nog zou moeten motiveren waarom de bewuste stukken niet volstaan om aan te tonen dat de veiligheidssituatie in Gizab er dermate is op achteruitgegaan dat er actueel voor burgers in Gizab in de provincie Daykundi een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c van de vreemdelingenwet bestaat. Zoals hoger reeds gesteld, is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen een beslissing te nemen. Te dezen is dit het geval. De jurisidictionele motiveringsplicht reikt niet zover dat de rechter ook moet specificeren welke de gronden voor zijn motieven zijn. In de mate dat verzoeker in het middelonderdeel de juistheid van de conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot de twee voornoemde stukken betwist, nodigt hij de Raad van State uit de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. Het vijfde onderdeel van het middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  9. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.928-10/11 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien maart tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.928-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.222 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.