← België

Cassatiebeschikking 13235 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.235 Rolnummer: A. 227395/XIV-37943 Zaak: Cassatiebeschikking 13235 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-01 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-25 08:54 Fiche Beschikking nr 13.235 van 20 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.235 van 20 maart 2019 in de zaak A. 227.395/XIV-37.943 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mieke Van den Broeck kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 februari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 214.923 van 9 januari 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 februari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In een eerste middel voert verzoeker aan dat hij de door de Amerikanen aan de legerbasis gegeven naam wel zou hebben vermeld en dat hij dit ook in zijn verzoekschrift tot beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben opgenomen. XIV-37.943-1/5 In het verzoekschrift tot beroep dat tot het bestreden arrest heeft geleid, heeft verzoeker niet aangevoerd dat hij de door de Amerikanen aan de bewuste basis gegeven naam wel kende. Hij heeft integendeel laten gelden dat “het […] niet onredelijk [is] dat verzoeker, die al twee namen kent voor de basis, niet onthouden zou hebben hoe die basis door de Amerikanen genoemd wordt”. Waar verzoeker voor de rechter ten gronde slechts aanvoerde dat het niet onredelijk was dat hij de door de Amerikanen gegeven naam niet kende, vermag hij niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie te laten gelden dat hij die naam net wel kende. Daarenboven steunt verzoeker zich thans op een zeer gedeeltelijke lezing van het gehoorverslag van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vermits hij blijkens datzelfde gehoorverslag op de vraag hoe de Amerikanen de basis noemden slechts heeft geantwoord “ik werkte er nooit” en hij op de vraag dat hij in de buurt woonde, de basis bezocht, Engels spreekt en er dus toch een notie van moest hebben heeft geantwoord “ze kiezen een naam, soms weten de soldaten die er werken het niet eens”. Gezien het antwoord op deze twee vragen is de bewijskracht van het gehoorverslag niet geschonden door de vaststelling in het bestreden arrest dat, “indien de basis door de Amerikanen gewoon Khogyanibasis werd genoemd, […] niet [kan] worden ingezien waarom verzoeker dit niet gewoon vermeldde tijdens zijn persoonlijk onderhoud wanneer hem hier- naar wordt gevraagd”. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  2. In een tweede middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de notie open combat verkeerd gebruikt door aan artikel 15, c, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 ‘inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming’ (Richtlijn 2004/83) en artikel 48/4, § 2, c, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) de voorwaarde van het bestaan van “hevige en voortdurende of ononderbroken gevechten” toe te voegen. In ondergeschikte orde vraagt verzoeker over de noodzaak van “hevige en ononderbroken gevechten” voor de toepassing van het voornoemde artikel 15, c, een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. XIV-37.943-2/5 Richtlijn 2004/83 is ingetrokken en vervangen door richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95). Artikel 15 is er ongewijzigd in overgenomen, derhalve wordt hierna enkel richtlijn 2011/95 genoemd. In het bestreden arrest wordt vermeld dat complexe aanslagen in Jalalabad bijna zonder uitzondering zijn gericht tegen high profile-doelwitten doch dat door de aard van het geweld ook burgers zonder specifiek profiel gedood of verwond worden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt hierbij op dat “de impact van de beschreven aanslagen […] niet van dien aard [is] dat het inwoners dwingt hun woonplaats te verlaten” en dat “bovendien […] de stad [blijkt] een toevluchtsoord te zijn voor burgers die het geweld in andere districten en provincies ontvluchten”. Hij vervolgt dat, niettegenstaande zich in Jalalabad met enige regelmaat terreuraanslagen voordoen, er geen gewag kan worden gemaakt van een situatie van open combat of van hevige en voortdurende of ononderbroken gevechten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dan dat, “gelet op hogervermelde vaststellingen en de beschikbare informatie […] er voor burgers in Jalalabad actueel geen risico bestaat om het slachtoffer te worden van een ernstige bedreiging van hun leven of persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict” en dat “er […] actueel voor burgers in de stad Jalalabad aldus geen reëel risico [is] op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er nog op dat uit de beschikbare informatie blijkt dat de hevige en dodelijke gevechten tussen ISKP en de taliban zijn geconcentreerd in de zuidelijke en zuidwestelijke districten van de provincie Nangarhar doch dat te dezen verzoeker blijkt te beschikken over een intern vestigingsalternatief in de stad Jalalabad. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk dat “de vaststelling dat er in de stad Jalalabad geen sprake is van een situatie van ‘open combat’ of van hevige en voortdurende of ononderbroken gevechten […] dan ook niet [moet] worden gelezen als het toevoegen van een voorwaarde aan de definitie van een gewapend conflict in de zin van artikel 15, c) van de Kwalificatierichtlijn, doch wel als de vaststelling dat de mate van het willekeurig geweld in de stad Jalalabad niet dermate hoog is dat verzoeker, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of zijn persoon zou lopen”. XIV-37.943-3/5 Derhalve wordt in het bestreden arrest niet gesteld dat sprake moet zijn van een open combat als een voorwaarde voor de toepassing van artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet. Deze feitelijke omstandigheden worden weliswaar aangehaald, doch als motief om te besluiten dat er in Jalalabad geen reëel risico bestaat op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet steunt de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen zich erop dat het geweld in de stad voornamelijk doelgericht is, dat door de aard van het geweld ook burgers zonder specifiek profiel worden getroffen, doch dat de inwoners door de aanslagen niet worden gedwongen de stad te ontvluchten en dat stad integendeel een toevluchtsoord is voor burgers die elders het geweld ontvluchten. Verzoekers kritiek berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. De door verzoeker voorgestelde prejudiciële vragen zijn derhalve niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de andere door hem aangehaalde bepalingen, behalve artikel 15 van richtlijn 2004/83 dan wel richtlijn 2001/95 en artikel 48/4, § 2, c, van de vreemdelingenwet, zouden zijn geschonden. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.943-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig maart tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.943-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.235 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.