id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 28 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.247 Rolnummer: A. 227407/XIV-37946 Zaak: Cassatiebeschikking 13247 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 28/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-17 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-25 09:57 Fiche Beschikking nr 13.247 van 28 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.247 van 28 maart 2019 in de zaak A. 227.407/XIV-37.946 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franz Geleyn kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 februari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 214.921 van 9 januari 2019 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 20 februari 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het XIV-37.946-1/13 karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiverings- plicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. 2.
- In het eerste onderdeel van het middel voeren de verzoekers aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en het “algemeen beginsel van bewijskracht van geschriften” heeft miskend door in het bestreden arrest te stellen dat zij het recht hadden om kosteloos in het opvangcentrum te verblijven - en er aldus ten onrechte vanuit is gegaan dat zij in Griekenland een onbeperkt recht hadden om kosteloos in een opvangcentrum te verblijven - terwijl eerste verzoeker tijdens zijn persoonlijk onderhoud heeft verklaard dat zij gedurende een jaar in een caravan hebben geleefd en dat hij normaal gezien het kamp moesten verlaten vanaf het moment dat hij een verblijfsrecht kreeg, maar dat hij mocht blijven omdat hij geen werk en huis vond. De verzoekers gaan evenwel eraan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest omtrent hun verklaringen het volgende heeft gesteld: “Uit verzoekende partijen hun verklaringen (notities van verzoekers persoonlijk- heid onderhoud op 16 april 2018, p. 3 en Verklaring DVZ van 13 maart 2018, vraag 31) blijkt dat zij in Griekenland het recht hadden om in een opvangcentrum te verblijven, eerst een maand in Chios en nadien ongeveer een jaar in mandara coseria, een deel van Thessaloníki. Dit verblijf was gratis en verzoekende partijen verbleven er blijkens hun verklaringen het merendeel van hun tijd in een caravan. Verzoekende partijen kregen in Griekenland als gezin bestaande uit twee volwassenen met twee kinderen, maandelijks 400 euro om in hun levensonderhoud te voorzien, daar waar een alleenstaand persoon 150 euro zou ontvangen (notities van verzoekers persoonlijkheid onderhoud op 16 april 2018, p. 3). Toen hun jongste zoontje in Griekenland te vroeg geboren werd, werd dit volgens verzoekende partijen correct opgevolgd en konden zij op goede medische zorgen rekenen (notities van verzoekers persoonlijkheid onderhoud op 16 april 2018, p. 5 en notities verzoeksters persoonlijk onderhoud op 16 april 2018, p. 3).” XIV-37.946-2/13 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is er dus geenszins vanuit gegaan dat de verzoekers in Griekenland kosteloos in een opvangcentrum verbleven en daar onbeperkt recht op hadden. Van een schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek en de bewijskracht van het gehoorverslag van eerste verzoeker kan dan ook geen sprake zijn. 2.2.
- Voorts voeren de verzoekers de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden met hun argumentatie dat personen die een verblijfsrecht krijgen normaal gezien het kamp moeten verlaten en zelf een huis moeten zoeken en daaromtrent in het bestreden arrest geen enkele motivering heeft opgenomen. Verzoekers argumentatie dat personen die een verblijfsrecht krijgen normaal gezien het kamp moeten verlaten en zelf een huis moeten zoeken, houdt verband met het door hen beweerde onvermogen van Griekenland om vluchtelingen huisvesting aan te bieden. Welnu, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dit argument wel degelijk in het bestreden arrest ontmoet en weerlegd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vat verzoekers argumentatie dienaangaande als volgt samen: “Onder verwijzing naar algemene rapporten argumenteren verzoekende partijen dat de levensomstandigheden van erkende vluchtelingen in Griekenland een schending kunnen uitmaken van artikel 3 EVRM. Verzoekende partijen wijzen op een systematisch onvermogen om bijstand en structuren aan te bieden met betrekking tot huisvesting, […]. Verzoekende partijen wijzen erop dat de kans groot is dat zij terecht komen op straat met hun kinderen en een moeder die zwanger is en zij, zoals blijkt uit de aanvullende nota, amper in leven kunnen blijven met een bedrag van 400 euro.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vervolgens vast dat de verzoekers “geen concrete elementen bijbrengen die afbreuk doen aan de in de voormelde beschikking opgenomen grond” aangezien zij zich “louter [beperken] tot het herhalen van eerder afgelegde verklaringen en in het verzoekschrift ontwikkelde argumenten en het formuleren van algemene opmerkingen, zonder dat zij echter daadwerkelijk concrete en valabele argumenten aanbrengen die de in de beschikking van 17 oktober 2018 opgenomen grond in een ander daglicht vermogen te plaatsen”. In de voornoemde beschikking werd door de kamervoorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geoordeeld dat de verzoekers, die in Griekenland XIV-37.946-3/13 de vluchtelingenstatus verkregen hebben en aldaar internationale bescherming genieten, niet concreet aannemelijk maken dat de bescherming die hen in Griekenland werd verleend ontoereikend zou zijn, noch dat zij een gegronde vrees in vluchtelingenrechtelijke zin of een reëel risico op ernstige schade kunnen doen gelden ten overstaan van Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt vervolgens: “4.
- Verzoekende partijen wijzen opnieuw, verwijzende naar door hen bijgebrachte algemene informatie en enkele foto’s van een vluchtelingenkamp, op de moeilijke levensomstandigheden van erkende vluchtelingen in Griekenland. Ze stellen dat deze omstandigheden een schending kunnen uitmaken van artikel 3 van het EVRM en duiden erop dat er een systematisch onvermogen is om bijstand en structuren aan te bieden met betrekking tot huisvesting, […]. Verzoekende partijen ontkrachten noch weerleggen echter, door louter opnieuw te verwijzen naar de algemene situatie in Griekenland, de grond in de beschikking […]”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benadrukt “dat niet kan ontkend worden dat Griekenland een moeilijke tijd doormaakt” en dat “er nog steeds problemen zijn met de asielprocedure en de opvangomstandigheden in Griekenland”, maar wijst erop dat het “aan verzoekende partijen [toevalt] om in dit verband de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn om het vermoeden dat zij zich kunnen beroepen op de bescherming die hen in Griekenland verleend werd, te weerleggen, waar zij echter in gebreke blijven”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is immers van oordeel: “Na individueel en inhoudelijk onderzoek van het geheel van de elementen die voorliggen, dient vastgesteld dat verzoekende partijen persoonlijk niet concreet aannemelijk hebben gemaakt dat de bescherming die hen in Griekenland verleend werd ontoereikend zou zijn, noch dat zij een gegronde vrees in vluchtelingenrechtelijke zin of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kunnen doen gelden ten overstaan van Griekenland. Dat de levensomstandigheden in Griekenland moeilijk zijn, zoals ook blijkt uit hun verklaringen en de bij het verzoekschrift en aanvullende nota gevoegde foto’s en artikelen, betreffen problemen van louter socio-economische aard dewelke niet vallen onder het toepassingsgebied van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. Verzoekende partijen brengen geen objectieve elementen noch officiële documenten bij die duiden op systematische gebreken in de bijstand en structuren voor personen met internationale bescherming. In dit verband kan nuttig verwezen worden naar het arrest van de Algemene Vergadering nr. 205 104 van 8 juni 2018 waarbij de Algemene Vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de vordering tot schorsing van een overdrachtsbesluit van een asielzoeker naar Griekenland verworpen heeft. De Raad stelt enerzijds vast dat er nog steeds problemen bestaan inzake de asielprocedure en de opvangomstandigheden in Griekenland, maar dat er actueel geen sprake meer is van XIV-37.946-4/13 systeemfouten die elke overdracht van een asielzoeker naar dit land verhinderen. Er is dus geen sprake van een principieel verbod, maar er dient telkens te worden overgegaan tot een individueel onderzoek. Dit principe geldt a fortiori in het geval van verzoekende partijen, aangezien verzoekende partijen de vluchtelingenstatus werd verleend in Griekenland waaruit de nodige verplichtingen uit volgen voor de lidstaat in kwestie. Griekenland is immers als EU-lidstaat gebonden aan het EU-acquis dat voorziet in (minimum)normen inzake rechten en voordelen die verbonden zijn aan de status van verzoekende partijen, rechten en voordelen waarvan verzoekende partijen gebruik kunnen maken. Verzoekende partijen tonen niet aan dat zij, die internationale bescherming genieten in Griekenland, geen toegang zouden krijgen of gebruik zouden kunnen maken van voornoemde rechten en voordelen. In de bestreden beslissingen wordt op goede gronden gemotiveerd dat verzoekende partijen het recht hadden om kosteloos in het opvangcentrum te verblijven, dat zij 400 euro kregen om in hun levensonderhoud te voorzien en dat zij bij de geboorte van hun zoontje op correcte en goede medische zorgen konden rekenen. Verzoekende partijen gaven tijdens hun gehoren, ook niet wanneer hen hier specifiek naar werd gevraagd, op geen enkel moment aan of te kennen incorrect of onheus behandeld te zijn geweest door de Griekse asielinstanties en, ruimer, de Griekse autoriteiten, en gaven aan geen problemen van discriminatie te hebben ondervonden. Het was er een veilige plaats, doch niet comfortabel leven, zo verklaarde verzoeker (notities van verzoekers persoonlijkheid onderhoud op 16 april 2018, p. 4). Uit het voorgaande blijkt derhalve dus geenszins en verzoekende partijen tonen niet concreet aan dat zij verhinderd waren om in Griekenland in de elementaire levensbehoeften van hun gezin te voorzien of om er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen benadrukt nog: “[…] dat bij de beoordeling van de situatie van personen die internationale bescherming werd verleend in Griekenland betreffende de toegang tot […] huisvesting […], in beginsel de omstandigheden van de Griekse onderdanen als maatstaf of standaard gelden, en niet de standaarden die desgevallend van toepassing zijn in andere lidstaten van de EU. Net zoals niet iedere EU-onderdaan op gelijke wijze aanspraak kan maken op dergelijke voorzieningen, geldt dit immers eveneens voor vreemdelingen die internationale bescherming werd verleend binnen de EU. De vaststelling dat er tussen de EU-lidstaten verschillen bestaan in de mate waarin aan personen met internationale bescherming rechten worden toegekend en zij deze kunnen doen gelden, impliceert bijgevolg geenszins zonder meer een vervolging noch een reëel risico op het lijden van ernstige schade. Dit dient daarentegen op concrete wijze te worden aangetoond, rekening houdende met het gegeven dat ook de socio- economische mogelijkheden of perspectieven van de Griekse onderdanen problematisch en complex kunnen zijn op het vlak van bijvoorbeeld sociale huis- vesting, sociale bijstand, gezondheidszorg of tewerkstelling.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit ten slotte: “De verzoekende partijen brengen hoe dan ook geen concrete elementen aan die aantonen dat zij, die internationale bescherming genieten in Griekenland, geen toegang zouden krijgen tot het aan hun status verbonden verblijfsrecht en verschillende rechten en voordelen inzake […] huisvesting. Uit de gegevens vervat in XIV-37.946-5/13 het administratief dossier blijkt dat de basisrechten van verzoekers in Griekenland als personen die er internationale bescherming genieten, gegarandeerd zijn en dat Griekenland het non-refoulement beginsel naleeft. De levensomstandigheden van verzoekende partijen kunnen er niet worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM.” Uit het voorgaande blijkt dan ook duidelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie inzake het beweerde onvermogen van Griekenland om bijstand en structuren inzake huisvesting aan te bieden - en hiermee dus impliciet ook verzoekers opmerking dat personen die een verblijfsrecht krijgen normaal gezien het kamp moeten verlaten en zelf een huis moeten zoeken - in het bestreden arrest correct heeft weergegeven, deze heeft onderzocht, en in het bestreden arrest erop heeft geantwoord. 2.2.
- De verzoekers voeren ook nog aan dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen niet heeft gemotiveerd “waarom [hij] geen rekening hield met de aangereikte informatie”. De verzoekers verduidelijken in het middelonderdeel evenwel niet met welke aangereikte informatie geen rekening zou zijn gehouden. In die mate is het middelonderdeel kennelijk niet-ontvankelijk. In de mate zij zouden doelen op de door hen bij het verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gevoegde informatie en de informatie waarnaar zij verwijzen op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, kan worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest wel degelijk heeft gemotiveerd waarom met deze informatie geen rekening is gehouden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest immers: “Verzoekende partijen wijzen opnieuw, verwijzende naar door hen bijgebrachte algemene informatie en enkele foto’s van een vluchtelingenkamp, op de moeilijke levensomstandigheden van erkende vluchtelingen in Griekenland. Ze stellen dat deze omstandigheden een schending kunnen uitmaken van artikel 3 van het EVRM en duiden erop dat er een systematisch onvermogen is om bijstand en structuren aan te bieden met betrekking tot huisvesting, toegang tot de arbeidsmarkt, integratie en toegang tot het onderwijs, de sociale voorzieningen, en de toegang tot gezondheidszorg. Verzoekende partijen ontkrachten noch weerleggen echter, door louter opnieuw te verwijzen naar de algemene situatie in Griekenland, de grond in de beschikking waar in dit verband wordt opgemerkt: ‘Verzoekers verwijzen in het verzoekschrift naar de moeilijke levensomstandig- heden in Griekenland en citeren uit landeninformatie ter zake. Dergelijke algemene verwijzing volstaat echter niet. Landeninformatie vormt weliswaar een belangrijk aspect bij de globale beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, doch zulk een informatie an sich volstaat niet om a priori te besluiten dat de geboden bescherming in hoofde van eenieder die in Griekenland internationale bescherming XIV-37.946-6/13 werd verleend, niet langer effectief of toereikend zou zijn. Het komt aan verzoekers toe om in dit verband de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn om het vermoeden dat zij zich kunnen beroepen op de bescherming die hen in Griekenland verleend werd, te weerleggen. Echter, uit de bestreden beslissingen blijkt dat in voorliggend geval, na individueel en inhoudelijk onderzoek van het geheel van de elementen die voorliggen, kan worden vastgesteld dat verzoekers persoonlijk niet concreet aannemelijk hebben gemaakt dat de bescherming die hen in Griekenland verleend werd ontoereikend zou zijn, noch dat verzoekers een gegronde vrees in vluchtelingenrechtelijke zin of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kunnen doen gelden ten overstaan van Griekenland. Dat de levensomstandigheden in Griekenland moeilijk zijn, betreffen problemen van louter socio-economische aard dewelke niet vallen onder het toepassingsgebied van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet. Dient bovendien te worden opgemerkt dat bij de beoordeling van de situatie van personen die internationale bescherming werd verleend in Griekenland betreffende de toegang tot werkgelegenheid, onderwijs, sociale bijstand, gezondheidszorg, huisvesting of integratie, in beginsel de omstandigheden van de Griekse onderdanen als maatstaf of standaard gelden, en niet de standaarden die desgevallend van toepassing zijn in andere lidstaten van de EU. Net zoals niet iedere EU-onderdaan op gelijke wijze aanspraak kan maken op dergelijke voorzieningen, geldt dit immers eveneens voor vreemdelingen die internationale bescherming werd verleend binnen de EU. De vaststelling dat er tussen de EU-lidstaten verschillen bestaan in de mate waarin aan personen met internationale bescherming rechten worden toegekend en zij deze kunnen doen gelden, impliceert bijgevolg geenszins zonder meer een vervolging noch een reëel risico op het lijden van ernstige schade. Dit dient daarentegen op concrete wijze te worden aangetoond, rekening houdend met het gegeven dat óók de socio-economische mogelijkheden of perspectieven van de Griekse onderdanen problematisch en complex kunnen zijn op het vlak van bijvoorbeeld sociale huisvesting, sociale bijstand, gezondheidszorg of tewerkstelling. De Raad wijst er op dat verzoekers de vluchtelingenstatus hebben verkregen in Griekenland, dat als EU-lidstaat gebonden is aan het EU-acquis dat voorziet in (minimum)normen inzake rechten en voordelen die verbonden zijn aan hun status en waarvan verzoekers gebruik kunnen maken. Verzoekers geven voorts op algemene wijze aan dat vluchtelingen en migranten in Griekenland steeds vaker het slachtoffer worden van haatmisdrijven en racisme, waarvoor er geen interne bescherming voorhanden is, zonder deze informatie concreet op hun situatie te betrekken. Dergelijke verwijzing volstaat niet om aan te tonen dat verzoekers in Griekenland werkelijk worden bedreigd en vervolgd of dat er wat hen betreft een reëel risico op lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming bestaat. Deze vrees voor vervolging dient in concreto te worden aangetoond en verzoekers blijven hier in gebreke. In de mate verzoekers artikel 3 EVRM geschonden achten, benadrukt de Raad dat artikel 3 EVRM vereist dat verzoekers doen blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat zij in het land waarnaar zij mogen worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico lopen om te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling. De bescherming verleend via artikel 3 van het EVRM vindt immers slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing. Degene die aanvoert dat hij/zij een dergelijk risico loopt, moet zijn/haar beweringen staven met een begin van bewijs. Blote beweringen buiten beschouwing gelaten, brengen verzoekers geen concrete elementen aan die aantonen dat zij, die internationale bescherming genieten in Griekenland, geen toegang zouden krijgen tot de rechten en voordelen verbonden aan hun status inzake toegang tot onder meer gezondheidszorg, werkgelegenheid en huisvesting. Rechtspraak van het EHRM is van oordeel dat, hoewel de algemene situatie en de levensomstandigheden van personen die internationale bescherming XIV-37.946-7/13 genieten in een lidstaat van de Europese Unie, enkele tekortkomingen kunnen vertonen, artikel 3 van het EVRM niet wordt geschonden als er geen sprake is van systematisch onvermogen om bijstand en structuren te bieden aan personen die internationale bescherming genieten. Uit de gegevens vervat in het administratief dossier blijkt dat de basisrechten van verzoekers en hun kinderen in Griekenland als personen die er internationale bescherming genieten, gegarandeerd zijn en dat Griekenland het non-refoulement beginsel naleeft. Hun levensomstandigheden kunnen er niet worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus, in navolging van de met toepassing van artikel 39/73, § 2, van de vreemdelingenwet genomen beschikking van oordeel te zijn dat de door verzoekers bijgebrachte informatie slechts algemeen van aard is en dat zij hiermee niet vermogen in conreto aan te tonen dat de bescherming die hen als vluchtelingen in Griekenland werd verleend ontoereikend zou zijn, of dat zij een gegronde vrees in vluchtelingenrechtelijke zin of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kunnen doen gelden ten overstaan van Griekenland. 2.2.
- Ten onrechte voeren de verzoekers in het eerste middelonderdeel ten slotte nog aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft gemotiveerd waarom hij van oordeel is dat de levensomstandigheden en het opvangsysteem van vluchtelingen in Griekenland geen schending inhouden van artikel 3 EVRM. In het bestreden arrest verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers naar arrest nr. 205.104 van 8 juni 2018 van de algemene vergadering van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waaruit blijkt dat “er actueel geen sprake meer is van systeemfouten die elke overdracht van een asielzoeker naar dit land verhinderen”. Hij wijst erop “dat verzoekende partijen de vluchtelingenstatus werd verleend in Griekenland waaruit de nodige verplichtingen uit volgen voor de lidstaat in kwestie” en dat “Griekenland […] als EU-lidstaat gebonden [is] aan het EU-acquis dat voorziet in (minimum)normen inzake rechten en voordelen die verbonden zijn aan de status van verzoekende partijen, rechten en voordelen waarvan verzoekende partijen gebruik kunnen maken”. Ten slotte overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook dat “[u]it de gegevens vervat in het administratief dossier blijkt dat de basisrechten van verzoekers in Griekenland als personen die er internationale bescherming genieten, gegarandeerd zijn en dat Griekenland het non-refoulement beginsel naleeft” en dat “[d]e levensomstandigheden van verzoekende partijen […] er niet [kunnen] worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM”. XIV-37.946-8/13 2.
- Het eerste middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 3.
- In het tweede middelonderdeel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet, doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest heeft nagelaten te antwoorden op hun argumenten dat zij slechts 400 euro per maand kregen sedert zij werden erkend als vluchtelingen in Griekenland, dat zij hiermee slechts toekwamen tot het midden van de maand en in mensonterende omstandigheden leefden, dat de gemiddelde huurprijs in Griekenland varieert tussen 286 euro en 679 euro per maand - prijs die vermeerderd moet worden met vaste kosten die kunnen variëren tussen 98 euro en 141 euro - en dat het voor een gezin met slechts 400 euro per maand dienvolgens onmogelijk is om afdoende huisvesting te vinden en dat dit hoogstwaarschijnlijk zou resulteren in het feit dat het gezin op straat zal moeten slapen wat in strijd zou zijn met het recht op een menswaardig leven zoals voorzien in artikel 3 van het EVRM. Ook deze argumenten houden verband met het door de verzoekers beweerde onvermogen van Griekenland om aan vluchtelingen bijstand en structuren aan te bieden met betrekking tot huisvesting. Uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel is evenwel gebleken dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest verzoekers argumentatie inzake het beweerde onvermogen van Griekenland om vluchtelingen degelijke huisvesting aan te bieden correct heeft uiteengezet én heeft weerlegd met de vaststelling dat verzoekers, die in Griekenland de vluchtelingenstatus verkregen hebben en aldaar internationale bescherming genieten, niet in concreto aantonen dat de bescherming die hen in Griekenland werd verleend ontoereikend zou zijn, noch dat zij een gegronde vrees in vluchtelingenrechtelijke zin of een reëel risico op ernstige schade kunnen doen gelden ten overstaan van Griekenland. 3.
- Voorts voeren de verzoekers ook aan dat, in tegenstelling tot wat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt, de aanvullende nota van 21 november 2018 wél objectieve elementen bevat die wijzen op een risico van een onmenselijke en vernederende behandeling. Met dit argument nodigen de verzoekers de Raad van State uit de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. XIV-37.946-9/13 3.
- Uit de beoordeling van het eerste middelonderdeel is ook reeds gebleken dat - in tegenstelling tot hetgeen de verzoekers voorts in het tweede middelonderdeel aanvoeren - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet enkel en alleen rekening heeft gehouden met de door eerste verzoeker gegeven antwoorden tijdens het persoonlijk onderhoud en aldus voorbarig heeft besloten dat hij niet verhinderd was om in de elementaire levensbehoeften van zijn gezin te voorzien of aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft blijkens het bestreden arrest daarentegen ook duidelijk rekening gehouden met hetgeen de verzoekers dienaangaande in hun verzoekschrift en aanvullende nota’s hebben aangevoerd en hetgeen zij tijdens de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hebben uiteen- gezet, maar hij heeft deze argumentatie in het bestreden arrest niet bijgevallen. 3.
- In de mate de verzoekers ten slotte in het tweede middelonderdeel aanvoeren dat de conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - dat de verzoekers niet aantonen dat zij niet naar Griekenland kunnen terugkeren - “onaannemelijk” is gelet op het omstandige verzoekschrift en twee aanvullende nota’s waarin uiteengezet wordt dat zij een onmenselijke en vernederende behandeling hebben ondergaan in de zin van artikel 3 EVRM zodat een terugkeer naar Griekenland ondenkbaar is, trachten de verzoekers de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te betwisten. Het weze echter herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden en de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. 3.
- Het tweede middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- In het derde middelonderdeel bekritiseren de verzoekers de overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest die luidt: “Waar ter terechtzitting, evenals in de aanvullende nota van 21 november 2018, gewezen wordt op een beslissing van het Grondwettelijk Hof van Duitsland in 2017 waarbij een deportatie naar Griekenland van een persoon die aldaar erkend werd als vluchteling een halt werd toegeroepen, merkt de Raad op dat hij geenszins gebonden is door een arrest van een buitenlandse rechtbank, geveld vorig jaar en uitgesproken in een andere zaak.” De verzoekers argumenteren dat zij in de voormelde aanvullende nota niet louter hebben verwezen naar een beslissing van het Grondwettelijk Hof van XIV-37.946-10/13 Duitsland in 2017, maar ook nieuwe gegevens hebben aangevoerd met betrekking tot een risico op onmenselijke en vernederende behandeling in hunner hoofde, namelijk dat “het Bundesverfassungsgericht in Duitsland de redenering van de administratieve rechtbank [bekritiseerde] omdat deze geen rekening hield met het feit dat, volgens de door verzoekster verstrekte informatie, de sociale uitkeringen in Griekenland een wettelijk verblijfsrecht in het land vereisen van maximaal 20 jaar, vandaar dat erkende vluchtelingen vrijwel uitgesloten zijn van enige toegang tot deze voordelen” alsook dat “[v]olgens de huidige Griekse wetgeving […] gezinnen met meer dan twee kinderen bijvoorbeeld alleen staatssteun [zullen] ontvangen als ze al meer dan 10 jaar legaal in Griekenland verblijven” en dat “[v]rijwel geen enkele erkende vluchteling […] in staat [zal] zijn om aan zulke lange verblijfsvereisten te voldoen”. Volgens de verzoekers laat de motivering van het bestreden arrest niet toe aan te nemen dat de Raad van Vreemdelingenbetwistingen deze argumenten mee in aanmerking heeft genomen. Uit de voormelde overweging uit het bestreden arrest kan evenwel worden afgeleid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk met deze argumenten - die immers verband houden met de beslissing van het Grondwettelijk Hof van Duitsland in 2017, waarnaar de verzoekers verwijzen - rekening heeft gehouden maar ze impliciet heeft verworpen. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. De verzoekers maken geen schending aannemelijk van de motiveringsplicht of van artikel 39/76, § 1, van de vreemdelingenwet. Het derde middelonderdeel is kennelijk ongegrond.
- In het vierde middelonderdeel voeren de verzoekers de schending aan van artikel 3 EVRM, van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Zij argumenteren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verplicht is om hun argumenten in concreto te onderzoeken om na te gaan of er al dan niet sprake is van systematische gebreken die de effectiviteit van de internationale bescherming van erkende vluchtelingen in Griekenland ontneemt, en bijgevolg alle erkende vluchtelingen in Griekenland blootstellen aan onmenselijke en vernederende behandeling. Gelet op het MSS- arrest van 21 januari 2011 en het arrest Tarakhel tegen Zwitserland van 4 november 2014 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, kan de effectiviteit van de internationale bescherming immers in twijfel worden getrokken. Volgens de verzoekers is er van een zorgvuldig onderzoek “naar de talrijke argumenten van verzoekende partij en de XIV-37.946-11/13 talrijke rapporten in het dossier die een concrete situatie van systematische gebreken aantonen, tevens aan het licht gebracht door de persoonlijke problemen waarnaar werd verwezen” in het bestreden arrest echter geen sprake. De overweging van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verzoekers “geen objectieve elementen noch officiële documenten [bijbrengen] die duiden op systematische gebreken in de bijstand en structuren voor personen met internationale bescherming” betreft volgens hen een algemene motivering, die niet afdoende is omdat de argumenten van de verzoekers niet worden beantwoord en zij aldus niet de garantie hebben dat hun argumenten tijdens de besluitvorming in aanmerking zijn genomen. Op de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rust de verplichting om op een duidelijke en nauwkeurige manier uit te leggen waarom hij van mening is dat de situatie in Griekenland niet overeenstemt met een situatie van systematische gebreken, terwijl in casu moet worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in gebreke is gebleven om op tal van argumenten van de verzoekers waaruit blijkt dat “de toegang tot werkgelegenheid, sociale voorzieningen, gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting en integratievoorzieningen ondoeltreffend is, wat kan leiden tot onmenselijke of mensonterende levensomstandigheden en een schending van artikel 3 EVRM” en dat “een erkende vluchteling in Griekenland in de praktijk geen aanspraak kan maken op de rechten die hem toekomen, noch effectief kan genieten van de bescherming die hem verleend werd” te antwoorden, aldus de verzoekers. Een uitspraak voldoet aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Te dezen is dit het geval. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt immers dat de verzoekers “geen objectieve elementen noch officiële documenten [bijbrengen] die duiden op systematische gebreken in de bijstand en structuren voor personen met internationale bescherming”. Hieruit kan worden afgeleid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie ter zake heeft onderzocht, maar heeft verworpen. Anders dan de verzoekers lijken aan te voeren is niet vereist dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op elk van de door de verzoekers aangevoerde elementen afzonderlijk een antwoord geeft. De jurisidictionele motiveringsplicht reikt immers niet zover dat de rechter ook de gronden voor zijn motieven in het bestreden arrest moet kenbaar maken. Voor het overige betwisten verzoekers in het middelonderdeel in wezen de juistheid van de conclusie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat zij XIV-37.946-12/13 “geen objectieve elementen noch officiële documenten [bijbrengen] die duiden op systematische gebreken in de bijstand en structuren voor personen met internationale bescherming”. Zij voeren aan dat dit wel het geval is. Zoals evenwel reeds is uiteengezet, valt het de Raad van State niet toe om de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter namelijk niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. Het vierde middelonderdeel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op achtentwintig maart tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.946-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.247 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.