← België

Cassatiebeschikking 13253 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.253 Rolnummer: A. 227476/XIV-37954 Zaak: Cassatiebeschikking 13253 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-21 22:53 Fiche Beschikking nr 13.253 van 9 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.253 van 9 april 2019 in de zaak A. 227.476/XIV-37.954 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bruno Soenen kantoor houdend te 9000 Gent Vaderlandstraat 32 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 februari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 215.055 van 14 januari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 maart 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, is niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De twee middelen zijn in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. XIV-37.954-1/3
  2. Uit de motivering in punt 3.3 van het bestreden arrest, die gedeeltelijk door verzoekster in het eerste cassatiemiddel wordt geciteerd, blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwisting van oordeel is dat de aanvankelijk bestreden beslissing een intrekking van het recht op verblijf van meer dan drie maanden betreft op grond van artikel 44, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). De in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht wordt met het bestreden arrest niet geschonden door vast te stellen dat de vermelding in de aanvankelijk bestreden beslissing van artikel 42quater, § 1, 6°, van de vreemdelingenwet kennelijk onjuist is vermits verzoeksters echtgenoot een Belgisch onderdaan is, dat de aanvankelijk bestreden beslissing eveneens verwijst naar artikel 44, § 1, van de vreemdelingenwet en als een beslissing tot intrekking van het recht op verblijf van meer dan drie maanden op grond van deze laatste bepaling moet worden gelezen en dat de overtollige vermelding van een aantal kennelijk niet van toepassing zijnde wetsbepalingen de strekking van de bestreden beslissing niet kan hebben beïnvloed. Het eerste middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  3. Met het bestreden arrest wordt geen uitspraak gedaan over de echtheid of onechtheid van de huwelijksakte maar wordt vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing is genomen omdat verzoekster fraude heeft gepleegd door het huwelijk te zijn aangegaan met het oog op een verblijfsrechtelijk voordeel en dat zij aldus haar verblijfsrecht heeft gekregen door het verstrekken van valse informatie. Met het betrekken van die elementen in zijn wettigheidscontrole heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 27 van het wetboek van Internationaal Privaatrecht niet geschonden. Uit verzoeksters kritiek dienaangaande kan geen schending van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht worden afgeleid. Het tweede middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-37.954-2/3
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.954-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.253 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.