← België

Cassatiebeschikking 13254 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.254 Rolnummer: A. 227449/XIV-37949 Zaak: Cassatiebeschikking 13254 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-15 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 22:55 Fiche Beschikking nr 13.254 van 9 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.254 van 9 april 2019 in de zaak A. 227.449/XIV-37.949 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Verkeyn kantoor houdend te 8400 Oostende Kaïrostraat 85 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 februari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 214.266 van 19 december 2018 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 maart 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 42, § 1 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bepaalt uitdrukkelijk dat het recht op verblijf wordt erkend “ten laatste zes maanden volgend op de datum van de aanvraag”. In het bestreden arrest wordt derhalve op wettige wijze geoordeeld dat ingevolge het gebruik van de woorden “volgend op de datum van de aanvraag” de termijn van zes maanden een aanvang neemt op de dag nadat de aanvraag werd ingediend. Artikel 52, § 4, tweede lid, van XIV-37.949-1/4 het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ verwijst slechts naar de voornoemde bepaling en vermag hoe dan ook geen afbreuk te doen aan die hogere rechtsnorm. De verwijzing door verzoekster naar ’s Raads arrest nr. 217.042 van 17 januari 2017 is niet dienstig vermits in die zaak niet ter betwisting stond dat de beslissing over het recht op verblijf buiten de termijn van zes maanden was genomen en in dat arrest als dusdanig geen uitspraak werd gedaan over de aanvangsdatum van de termijn. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer aangevoerd dat de verwerende partij voordien “de elementen van het ten laste zijn in het land van herkomst tot aan de aankomst in België niet heeft betwist”. Zij liet nog gelden dat er dienaangaande dus “een (gerechtelijke) bekentenis bestaat door verweerster omtrent een aantal zaken die van harentwege niet/nooit werden betwist en dus als vaststaand dienden te worden beschouwd”. In het bestreden arrest volgt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekster niet, onder meer omdat “noch uit de beslissing van 4 juli 2017, noch uit de daaraan voorafgaande beslissing inzake een gelijkaardige aanvraag van verzoekster [blijkt] dat de verwerende partij uitdrukkelijk heeft aangenomen dat zij in het verleden van in het land van herkomst ten laste zou zijn geweest”, dat “het […] niet [is] omdat de verwerende partij ervoor kiest om een aanvraag af te wijzen op grond van het niet voldaan zijn aan één van de cumulatieve criteria, zoals in casu bij de beslissing van 4 juli 2017, dat zij daarmee automatisch zou erkennen dat aan het andere, niet beoordeelde XIV-37.949-2/4 criterium zou zijn voldaan” en dat derhalve niet is aangetoond dat de verwerende partij zou terugkomen op een eerdere beoordeling. Daarmee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij geen erkentenis door de verwerende partij van enige toestand aanneemt. Verzoekster toont geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Het tweede middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt op concreet gemotiveerde wijze dat “verzoekster niet aan[toont] dat de vaststelling dat het ontvangen van postpakketten op zich niets bewijst voor wat de afhankelijkheidsrelatie in het land van herkomst betreft, kennelijk onredelijk is”. Dit betreft de feitelijke appreciatie van één door verzoekster aangevoerd element dat in de aanvankelijk bestreden beslissing niet als bewijs van een afhankelijkheidsrelatie werd aanvaard. De Raad van State vermag als administratieve cassatierechter niet de zaak zelf te onderzoeken door de redelijkheidstoets over te doen. Op zich houdt het oordeel dat de verwijzing naar postpakketten op zich geen bewijs vormt van een afhankelijkheidsrelatie, geen schending in van artikel 40ter iuncto 40bis van de vreemdelingenwet. Het tweede middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.949-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.949-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.254 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.