← België

Cassatiebeschikking 13261 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.261 Rolnummer: A. 227523/XIV-37957 Zaak: Cassatiebeschikking 13261 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-06 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-24 13:46 Fiche Beschikking nr 13.261 van 12 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.261 van 12 april 2019 in de zaak A. 227.523/XIV-37.957 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 februari 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 215.831 van 28 januari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 6 maart 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende zich met het bestreden arrest enkel uit te spreken over de vraag of de aan verzoeker voordien toegekende subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moest worden ingetrokken met toepassing van artikel 55/5/1, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Hiermee wordt geen uitspraak gedaan over een eventuele verwijdering naar het land van herkomst en het staat verzoeker vrij een machtiging tot XIV-37.957-1/2 verblijf te vragen op basis van andere bepalingen van de vreemdelingenwet. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve op wettige wijze geoordeeld dat een toetsing aan artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, niet is vereist bij het nemen van een beslissing tot intrekking van de subsidiaire beschermingsstatus. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.957-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.261 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.