id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 12 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.263 Rolnummer: A. 227605/XIV-37962 Zaak: Cassatiebeschikking 13263 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 12/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-25 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-27 00:23 Fiche Beschikking nr 13.263 van 12 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.263 van 12 april 2019 in de zaak A. 227.605/XIV-37.962 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marc Sampermans kantoor houdend te 3500 Hasselt Koningin Astridlaan 46 Bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.196 van 21 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 maart 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen’ en de zorgvuldigheidsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoekster voert niet aan dat de inhoud van die bepaling of dat beginsel zou zijn geschonden met het bestreden arrest. XIV-37.962-1/3 Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest op concreet gemotiveerde wijze “dat de [aanvankelijk] bestreden beslissing duidelijk het determinerend motief aangeeft op grond waarvan de beslissing is genomen”, met een verwijzing naar artikel 74/11, § 1, tweede lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en met een motivering in feite. Anders dan verzoekster lijkt voor te houden, is geen effectieve veroordeling vereist om uit haar aanhouding voor feiten van diefstal met verzwarende omstandigheden en vereniging van misdadigers te kunnen afleiden dat verzoekster wordt geacht de openbare orde te kunnen schaden. Verzoekster voert op algemene wijze aan dat om humanitaire redenen kan worden afgezien van een inreisverbod doch gaat voorbij aan het motief in het bestreden arrest dat artikel 74/11 van de vreemdelingenwet te dezen geen keuzemogelijkheid om al dan niet een inreisverbod op te leggen. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op concreet gemotiveerde wijze “dat in de [aanvankelijk] bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gemotiveerd omtrent de duur van het inreisverbod” waarbij hij opmerkt dat “de gemachtigde [in de aanvankelijk bestreden beslissing] besluit dat betrokkene niet heeft getwijfeld om op illegale wijze in België te verblijven en om de openbare orde te schaden en dat gelet op al deze elementen, het belang van de immigratiecontrole en het handhaven van de openbare orde een inreisverbod van drie [jaar] proportioneel is”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar het motief in die beslissing dat verzoekster niet heeft meegewerkt met de overheden door zich na de afhandeling van haar regularisatiedossier op 23 maart 2018 niet binnen de door artikel 5 van de vreemdelingenwet gestelde termijn van bij de gemeente te hebben gemeld en merkt op dat verzoekster zich wat dat betreft niet kan beroepen op haar aanhouding op 11 april 2018, die immers ruim na de voornoemde termijn plaatsvond. Hij gaat ook in op de gezinssituatie van verzoekster en merkt op dat verzoekster toen zij werd gehoord op 13 april 2018 haar twee meerderjarige kinderen niet heeft vermeld en dat zij “slechts voor het eerst in het kader van haar beroepsprocedure” heeft aangehaald dat één van haar minderjarige kinderen niet de Macedonische nationaliteit zou hebben. XIV-37.962-2/3 Verzoekster toont niet aan dat artikel 74/11, § 1, van de vreemdelingenwet met het bestreden arrest werd geschonden. Het eerste middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twaalf april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.962-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.263 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div