← België

Cassatiebeschikking 13284 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.284 Rolnummer: A. 227654/XIV-37970 Zaak: Cassatiebeschikking 13284 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-14 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-29 03:28 Fiche Beschikking nr 13.284 van 26 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.284 van 26 april 2019 in de zaak A. 227.654/XIV-37.970 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 216.493 van 7 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 maart 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1992 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest.
  2. In het eerste onderdeel van het eerste middel zet verzoeker uiteen dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest “ten onrechte […] heeft XIV-37.970-1/4 geoordeeld dat de houding van de protection officer wel in overeenstemming was met het Gehoorhandvest”. Met de overwegingen dat nergens uit het gehoorverslag kritiek blijkt van verzoeker of zijn raadsman op de houding van de protection officer hoewel verzoeker op het einde van het gehoor de mogelijkheid kreeg om opmerkingen te formuleren, en dat het, met verwijzing naar een concreet voorbeeld, “nét verzoekers opmerkingen ten tijde van het gehoor [zijn] die nu en dan blijk gaven van een weinig collaboratieve houding”, antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk op verzoekers kritiek betreffende “het verloop van de gehoren” op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Verder is de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden, zodat hij niet vermag in de plaats van de eerste rechter de houding van de protection officer opnieuw te beoordelen. Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. Verzoeker verwijst wat de beoordeling van zijn “werkzaamheden als tolk voor de Amerikaanse strijdkrachten” betreft naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 23 augustus 2016 in de zaak J.K. en anderen tegen Zweden. Dat arrest heeft echter betrekking op een verwijderingsmaatregel naar Irak, hetgeen in het bestreden arrest niet aan de orde is. Volgens verzoeker wordt in het bestreden arrest niet ingegaan op het feit dat zijn activiteit voor buitenlandse troepen bekend is vermits uit een aantal bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingediende stukken blijkt dat hij als vertaler optrad voor hoge Amerikaanse officieren en daarbij ook contact had met hoge Irakese officieren en lokale leiders. Verzoekers activiteiten als tolk voor het Amerikaanse leger, zowel in Irak als tijdens zijn verblijf in Jordanië, worden in het bestreden arrest echter niet als dusdanig betwist. Dienaangaande wordt verder overwogen dat uit een bepaalde brief blijkt dat verzoeker zijn activiteiten beëindigde om zijn dochter in België te bezoeken, dat verzoekers activiteiten als tolk reeds een einde namen in 2009, dat verzoekers verklaringen over beweerde vervolgingsfeiten uit 2005 en 2007 erg vaag zijn en dat de verwerende partij dus “rechtsgeldig kon concluderen dat verzoekers vrees, die overigens niet concreet aannemelijk XIV-37.970-2/4 wordt gemaakt, niet langer actueel is”. Verzoekers argumentatie betreffende (de gevolgen van) zijn werkzaamheden als tolk zijn hiermee duidelijk beantwoord. Verzoeker gaat vervolgens in op de beoordeling van zijn “lange afwezigheid uit Irak en zijn profiel als hoogopgeleide polyglot” in het bestreden arrest. In zijn kritiek gaat verzoeker echter voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat verzoeker, naast het feit dat hij geen begin van bewijs bijbrengt van zijn verblijf in een compound in Irak, evenmin een begin van bewijs bijbrengt dat hij in aanmerking kwam voor resettlement in de Verenigde Staten, en dat zijn opmerkingen geen afbreuk doen aan de vaststelling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoekers frequente bewegingen tussen Jordanië, België en Irak moeilijk in overeenstemming kunnen worden gebracht met een gegronde vrees voor vervolging. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt hierbij ook dat verzoeker België nog heeft verlaten na het indienen van zijn eerste asielaanvraag in
  4. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt dus niet enkel zijn gedrag vóór 2010 in aanmerking genomen. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat er geen concrete elementen worden aangevoerd die een vrees voor vervolging kunnen staven, hoefde hij niet nader op het actuele karakter van de voorgehouden vrees in te gaan. Tot slot houdt verzoeker voor dat het bestreden arrest geen “holistische benadering van voorgaande elementen” bevat. In punt 2.5.18 van het bestreden arrest wordt echter geoordeeld dat ook bij die benadering “zoals verzoeker beschrijft op basis van de uitspraak van het Britse Upper Tribunal”, de door verzoeker opgesomde elementen geen aanleiding geven tot de erkenning als vluchteling of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus vermits verzoeker” immers niet aannemelijk [heeft] gemaakt dat hij omwille van zijn vroegere werk als tolk voor de Amerikaanse troepen of omwille van zijn profiel en/of zijn familieleden door ‘moslimextremisten’ zou worden geviseerd, dan wel onder de negatieve aandacht zou komen van de Iraakse autoriteiten”. Verzoekers kritiek dat de door hem aangevoerde elementen niet in hun geheel zouden zijn beoordeeld, mist dus feitelijke grondslag. Het tweede onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  5. De vraag in welke mate verzoeker bewijst “dat hij specifiek wordt geraakt om redenen die te maken hebben met zijn persoonlijke omstandigheden”, waardoor XIV-37.970-3/4 slechts een lage mate van willekeurig geweld zou zijn vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming, betreft de grond van de zaak en behoort derhalve tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Verzoekers argument dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in een eerder arrest met zeer gelijkaardige kenmerken van kwetsbaarheid de subsidiaire beschermingsstatus [heeft] toegekend”, doet geen afbreuk aan het voorgaande en houdt op zich ook geen onwettigheid in het bestreden arrest in. De als dusdanig door verzoeker aangevoerde “persoonlijke omstandigheden” worden in punt 2.5.22 van het bestreden arrest vermeld doch beoordeeld als onvoldoende om te leiden tot een verhoogd risico om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.970-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.284 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.