← België

Cassatiebeschikking 13285 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 26 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.285 Rolnummer: A. 227632/XIV-37968 Zaak: Cassatiebeschikking 13285 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 26/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-21 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 06:57 Fiche Beschikking nr 13.285 van 26 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr.13.285 van 26 april 2019 in de zaak A. 227.632/XIV-37.968 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Geens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.273 van 22 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 25 maart 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Een aanvraag tot opheffing van een inreisverbod omwille van humanitaire redenen wordt naar luid van artikel 74/12, § 1 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) “door de onderdaan van een derde land ingediend bij de Belgische diplomatieke of consulaire beroepspost die bevoegd is voor zijn woon- of verblijfplaats in het buitenland”. Overeenkomstig § 2 van dit artikel kan de betrokkene “bij de minister of zijn gemachtigde een aanvraag tot opheffing of opschorting van het inreisverbod indienen die gemotiveerd wordt door het naleven van de verplichting tot XIV-37.968-1/3 verwijdering die vroeger afgegeven werd, als hij schriftelijk het bewijs bezorgt dat hij volledig conform de beslissing tot verwijdering het Belgisch grondgebied heeft verlaten”. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat aan verzoeker “een verwijderingsmaatregel met vasthouding werd betekend omdat [hij] niet binnen de toegekende termijn aan een eerdere verwijderingsmaatregel gevolg heeft gegeven” en dat verzoeker “op 17 augustus 2018 onder escorte werd gerepatrieerd naar het herkomstland, hetgeen inhoudt dat de verwerende partij genoodzaakt was [hem] onder verhoogde dwang te doen terugkeren naar het herkomstland”, zodat “in casu aldus niet [kan] gesproken worden van een vrijwillige terugkeer binnen de gestelde termijn”. Een gedwongen verwijdering van het grondgebied na het verstrijken van de termijn om het grondgebied te verlaten kan niet gelden als het “naleven van de verplichting tot verwijdering” waarvoor overeenkomstig artikel 74/12, § 2 van de vreemdelingenwet is vereist dat de vreemdeling “volledig conform de beslissing tot verwijdering het Belgisch grondgebied heeft verlaten”. Dat verzoeker na het verstrijken van de termijn gedwongen moest worden verwijderd, houdt net in dat hij het grondgebied niet “volledig conform de beslissing tot verwijdering het grondgebied heeft verlaten”. Dit stemt overeen met de in artikel 11.3, eerste lid, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 ‘over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven’ gestelde voorwaarde dat de vreemdeling “kan aantonen het grondgebied van een lidstaat geheel in overeenstemming met het terugkeerbesluit te hebben verlaten”. Het door verzoeker aangehaalde citaat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 mei 2018 in de zaak C-82/16 is niet dienstig omdat het daarin de mogelijkheid betreft tot opheffing of schorsing van een inreisverbod door de lidstaten “wanneer het terugkeerbesluit niet is uitgevoerd en de derdelander zich op hun grondgebied bevindt”, hetgeen voor verzoeker niet meer het geval was. Het enige middel is kennelijk ongegrond. XIV-37.968-2/3 BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zesentwintig april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.968-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.285 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.