id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.288 Rolnummer: A. 227685/XIV-37974 Zaak: Cassatiebeschikking 13288 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-20 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-21 23:09 Fiche Beschikking nr 13.288 van 30 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.288 van 30 april 2019 in de zaak A. 227.685/XIV-37.974 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thierry L’Allemand kantoor houdend te 2000 Antwerpen Britse Lei 47-49/5-7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.310 van 22 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker in het eerste cassatiemiddel letterlijk het eerste middel herhaalt dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd, met enkel de toevoeging dat “in tegenstelling tot hetgene bepaald in het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wel degelijk voldoende bewezen”. Verzoekers kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft geen betrekking op het bestreden arrest. De Raad van State is als administratieve XIV-37.974-1/3 cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden door in de plaats van de eerste rechter na te gaan of de aanvankelijk bestreden beslissing al dan niet op zorgvuldige wijze is genomen. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Het tweede cassatiemiddel is kennelijk niet-ontvankelijk in de mate dat verzoeker het tweede middel herhaalt dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker wijst er nog op dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte meent dat zijn familieleden niet specifiek worden aangeduid terwijl het duidelijk gaat over zijn moeder en zijn zoon. Verzoeker gaat echter voorbij aan punt 2.2.4 van het bestreden arrest waarin de voorgehouden band met verzoekers moeder wordt onderzocht en aan punt 2.2.5 van het bestreden arrest waarin de voorgehouden band met verzoekers zoon wordt onderzocht. Verzoekers kritiek berust dan ook op een verkeerde (onvolledige) lezing van het bestreden arrest. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Ook in het derde cassatiemiddel herhaalt verzoeker het derde middel dat hij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Verder gaat verzoeker voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat hem (als bloedverwant in dalende lijn vanaf de leeftijd van 21 jaar) het verblijf wordt geweigerd omdat niet effectief blijkt dat hij ten laste is van de referentiepersoon en dat daarom zijn betoog dat hij wel zou beschikken over voldoende bestaansmiddelen, niet dienstig is. Om die reden acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek dat de verwerende partij een behoefteanalyse had moeten maken niet dienstig. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen uitspraak gedaan over een beroep tot nietigverklaring tegen een beslissing van de verwerende partij XIV-37.974-2/3 houdende weigering van verblijf na een aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie. Met toepassing van artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) doet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over dergelijke beroepen uitspraak “als annulatierechter”. Artikel 39/76 van de vreemdelingenwet heeft daarentegen betrekking op de beroepen met volle rechtsmacht tegen de beslissingen van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waarvan te dezen geen sprake is. Het vierde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.974-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.288 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div