← België

Cassatiebeschikking 13289 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.289 Rolnummer: A. 227689/XIV-37975 Zaak: Cassatiebeschikking 13289 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-20 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-24 01:48 Fiche Beschikking nr 13.289 van 30 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.289 van 30 april 2019 in de zaak A. 227.689/XIV-37.975 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johannes Baelde kantoor houdend te 8000 Brugge Gistelse Steenweg 229 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 216.999 van 18 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekster acht de motivering van het bestreden arrest “niet rechtsgeldig en daadkrachtig”, zowel in de hypothese dat haar Belgisch kind Elenor bij de vader in België zou blijven als in de hypothese dat het kind Elenor samen met verzoekster het grondgebied zou verlaten.
  2. Verzoeksters kritiek wat de hypothese betreft dat haar kind Elenor bij de Belgische vader zou blijven, is uitsluitend gesteund op een PV van 2 oktober 2018 en XIV-37.975-1/3 op een bijblad aan een ander PV van 2 oktober
  3. Uit het rechtsplegingsdossier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt niet dat deze stukken ter kennis van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werden gebracht en er wordt niet naar verwezen in het verzoekschrift tot nietigverklaring of in de daarbij gevoegde inventaris van verzoeksters stukken. A fortiori had de verwerende partij er geen kennis van bij het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing op 8 november 2017, bijna een jaar voordat de voornoemde stukken werden opgesteld. Verzoekster kan zich dan ook niet op die stukken beroepen om tot een schending van een van de vele door haar aangehaalde bepalingen en beginselen te steunen. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  4. Verzoeksters kritiek wat de hypothese betreft dat haar kind Elenor samen met verzoekster het Belgische grondgebied zou verlaten, is gesteund op een verslag van de sociale dienst van de jeugdrechtbank van Veurne van 1 maart
  5. Verzoekster vermag zich hierop niet te beroepen voor de beoordeling van de wettigheid van het bestreden arrest, dat immers dateert van voordien. Verder betekent het feit dat een Belgisch kind niet gedwongen kan worden verwijderd, niet noodzakelijk dat het zijn moeder eventueel niet kan vergezellen naar het buitenland. Deze vaststelling vormt op zich geen schending van een van de in het middel aangehaalde bepalingen of beginselen. Verzoekster gaat ook voorbij aan de motivering in het bestreden arrest dat het kind kan rekenen op de zorg van de moeder die het vergezelt en dat de terugkeer naar het land van herkomst van verzoekster “desgevallend tijdelijk” is, “met de mogelijkheid terug te keren op het ogenblik dat voldaan is aan de in de Vreemdelingenwet voldane formaliteiten”. Tot slot vermag de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden door een feitelijke beoordeling van de voormelde hypothese te maken. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-37.975-2/3 BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.975-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.289 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.