← België

Cassatiebeschikking 13290 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.290 Rolnummer: A. 227691/XIV-37977 Zaak: Cassatiebeschikking 13290 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-20 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-21 23:48 Fiche Beschikking nr 13.290 van 30 april 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.290 van 30 april 2019 in de zaak A. 227.691/XIV-37.977 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent Neerinckx kantoor houdend te 9140 Temse Akkerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.012 van 18 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt niet dat de verwerende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een nota met opmerkingen heeft ingediend en dergelijke nota wordt ook niet vermeld in het bestreden arrest. Verzoekers stelling dat artikel 39/59, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) “voor gevolg heeft dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de eventuele excepties en het verweer ten gronde in de nota met opmerkingen van de XIV-37.977-1/2 verwerende partij niet dient te beantwoorden” is derhalve niet relevant voor de wettigheidscontrole van het bestreden arrest. Noch artikel 39/59, § 2, van de vreemdelingenwet noch enige andere bepaling verbiedt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, zo nodig ambtshalve en ook indien de verwerende partij geen nota met opmerkingen heeft ingediend en niet ter terechtzitting is verschenen, te onderzoeken of het bij hem ingestelde beroep tijdig is ingediend. De in artikel 39/57, § 1, van de vreemdelingenwet vervatte beroepstermijn is immers van openbare orde en uit punt 4.1 van het bestreden arrest blijkt dat verzoeker de mogelijkheid heeft gehad er standpunt over in te nemen. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig april tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.977-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.290 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.