id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.312 Rolnummer: A. 227705/XIV-37979 Zaak: Cassatiebeschikking 13312 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-27 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-21 22:49 Fiche Beschikking nr 13.312 van 9 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.312 van 9 mei 2019 in de zaak A. 227.705/XIV-37.979 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthieu Lys kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 216.946 van 15 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen enkel uitspraak gedaan over de vraag of verzoeker op grond van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) als vluchteling kan worden erkend en of hem op grond van artikel 48/4 van die wet de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend. Vermits met het bestreden arrest geen uitspraak wordt gedaan over een verwijderingsmaatregel, kan verzoeker te dezen geen schending van XIV-37.979-1/4 artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) inroepen. De beide middelen zijn in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. De schending van artikel 13 van het EVRM kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. De beide middelen zijn ook in die mate kennelijk niet-ontvankelijk vermits naast de schending van artikel 3 van het EVRM geen schending van een andere verdragsbepaling of daardoor beschermd recht wordt opgeworpen.
- De Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. De beoordeling van de bewijswaarde van door verzoeker overgelegde stukken behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, die te dezen uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid. Overigens zijn de redenen waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen bewijswaarde toekent aan de bijkomende stukken van verzoeker, in het bijzonder de dreigbrief van de taliban, niet beperkt tot de algemene vaststelling dat verzoeker vroeger fraude heeft gepleegd en dat er massaal wordt gefraudeerd met Afghaanse documenten. In punt 2.3 van het bestreden arrest wordt integendeel omstandig en concreet gemotiveerd waarom verzoekers verklaringen ongeloofwaardig blijven en waarom zijn bijkomende stukken daar geen afbreuk aan doen. Door op gefundeerde wijze mede in de beoordeling te betrekken dat verzoeker een kernelement van zijn asielrelaas niet eerder heeft vermeld, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 48/6 van de vreemdelingenwet niet geschonden. De motivering in het bestreden arrest dat de voorgehouden ontvoering van verzoekers vader ongeloofwaardig is en dat, “in zoverre enig geloof kan worden gehecht aan de ontvoering van zijn vader, verzoeker geen concrete of geloofwaardige elementen aanhaalt waaruit blijkt dat hij hierdoor tevens persoonlijk geviseerd zou worden door de taliban”, vormt, anders dan verzoeker voorhoudt, geen tegenstrijdige motivering doch de verwerping van twee mogelijke hypotheses. Verzoeker toont op dit vlak geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het eerste middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-37.979-2/4
- Verzoeker houdt in het tweede middel voor dat “de stelling [in het bestreden arrest] dat het CGVS terecht zou hebben gesteld dat de veiligheidssituatie in Jalalabad, Behsud en Surkhrod vergelijkbaar en gelijklopend is, […] niet verenigbaar [is] met de inhoud van stuk 4 van [verzoekers] aanvullende nota”. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker slechts een fragment van een verslag van 30 juli 2018 aan het Congres van de Verenigde Staten van Amerika heeft bijgebracht waarin enkel wordt vermeld dat het district Surkhrod “contested” is, hetgeen betekent “controlled by neither the Afgan government nor the insurgency”. Over de concrete toestand in Surkhrod wordt niets vermeld in dat stuk. In het bestreden arrest wordt niet als dusdanig gesteld dat de veiligheidssituatie in Surkhrod, verzoekers district, vergelijkbaar is met de situatie in Jalalabad. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aanvaardt verzoekers argumentatie dat zijn dorp niet tot een buitenwijk van Jalalabad behoort, doch merkt op dat verzoekers argumentatie “geen afbreuk kan doen aan de vaststelling dat in het district Surkhrod, waar verzoekers dorp gesitueerd is, actueel geen sprake is van een uitzonderlijke situatie waarbij de mate van willekeurig geweld dermate hoog is dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te tonen dat verzoeker louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt blootgesteld te worden aan een ernstige bedreiging van zijn leven of zijn persoon zoals bedoeld door artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet”. Met de vaststelling in het bestreden arrest dat de bij verzoekers aanvullende nota gevoegde informatie “deels dezelfde” is als deze waarop de veiligheidsanalyse met betrekking tot het voornoemde district in de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund en dat die informatie “voor het overige” in dezelfde lijn ligt als de informatie uit het administratief dossier, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen betekenis aan het voornoemde stuk 4 van verzoeker die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud van dat stuk. Er blijkt dan ook geen schending van het beginsel van de bewijskracht van akten, afgeleid uit de artikelen 1319 e.v. van het Burgerlijk Wetboek. Evenmin blijkt dat verzoekers voornoemde argumentatie in strijd met artikel 149 van de Grondwet of artikel 39/65 van de vreemdelingenwet niet werd beantwoord. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een andere zaak tot de schending van de materiëlemotiveringsplicht heeft besloten wat de beoordeling van de toestand in Surkhrod betreft, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Het tweede middel is in die mate kennelijk ongegrond. XIV-37.979-3/4 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-37.979-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.312 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div