id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.316 Rolnummer: A. 227790/XIV-38003 Zaak: Cassatiebeschikking 13316 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-21 22:39 Fiche Beschikking nr 13.316 van 15 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.316 van 15 mei 2019 in de zaak A. 227.790/XIV-38.003 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sophie Copinschi kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 93 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.595 van 27 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet opgeworpen dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte formelemotiveringsplicht zou zijn geschonden doordat de aanvankelijk bestreden beslissing zou zijn gesteund op de verwijzing in het verslag van de ambtenaar-geneesheer naar XIV-38.003-1/5 gegevens uit de MedCOI-databank. Hij vermag dit niet voor het eerst op te werpen in de graad van administratieve cassatie, noch hieraan de schending van andere bepalingen te koppelen. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- Verzoeker voert aan dat in het bestreden arrest niet is ingegaan op zijn kritiek dat de noodzakelijke behandeling niet beschikbaar en toegankelijk zou zijn in Tsjetsjenië, minstens omwille van zijn afkomst uit Ingoesjetië. Er zou in het bijzonder geen rekening zijn gehouden met het verslag “Tchétchénie: système de santé et traitement des maladies et troubles psychiques” van de Organisation Suisse d’Aide aux Refugiés uit 2015, waarnaar verzoeker had verwezen. De algemene opmerking in het bestreden arrest dat in artikel 9ter, § 1, van de vreemdelingenwet sprake is van het “land” en niet de “streek” van herkomst, is correct en houdt dus geen onwettigheid in. Het vormt derhalve op zich geen onwettigheid rekening te houden met de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de nodige zorgen voor verzoeker in het aan Ingoesjetië grenzende Tsjetsjenië, dat eveneens behoort tot de Russische Federatie. Anders dan verzoeker lijkt voor te houden, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk het hoger genoemde verslag van de Organisation Suisse d’Aide aux Refugiés uit 2015 in zijn beoordeling betrokken. Niet alleen verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitdrukkelijk naar dit verslag op pagina 36 van het bestreden arrest, hij merkt ook op in het verslag van de ambtenaar-geneesheer “zeer concreet werd onderzocht of er psychiaters voorhanden waren, zowel in hospitalen als ambulant”, dat “de aanvraag aan de MedCOI-databank dateert van 8 augustus 2018 en de informatie verkregen via deze databank […] bijgevolg recenter [is] dan de rapporten waarnaar verzoeker verwijst en […] de precieze adressen [bevat], onder meer in Grozny, waar hij terecht kan”, dat “ook […] de geneesmiddelen die de verzoeker gebruikt, [zijn] vermeld of de vervanging ervan en dat de Raad “aan deze concrete opzoekingen […] meer belang [hecht] dan aan de rapporten waarnaar de verzoeker verwijst en uit citeert omwille van de concrete gegevens toegespitst op de ziekte van de verzoeker en het recentere karakter”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht een rapport van Artsen Zonder grenzen van XIV-38.003-2/5 2012 “te verouderd omdat in 2013 de Tsjechische autoriteiten structurele veranderingen doorvoerde[n] ter verbetering van de gezondheidszorg”. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “de citaten in het verzoekschrift […] algemeen [zijn], […] geen precieze opzoekingen [bevatten] en […] over zieken in het algemeen [gaan]”, waar hij op omstandige wijze de recentere en concrete gegevens tegenover plaatst die blijken uit het verslag van de ambtenaar-geneesheer. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt hierbij ook op dat uit de medische attesten niet blijkt dat verzoeker moet worden gehospitaliseerd, noch dat een derde kan vaststellen dat verzoeker een mentaal zieke persoon is noch dat verzoekers ziekte noopt tot continue medische observatie en hospitalisatie doch dat verzoeker een behandeling een behandeling volgt bij een etno-psychiater en medicatie neemt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt verder uitdrukkelijk dat verzoekers bewering “dat registratie in Tsjetsjenië moeilijk is, te meer nu hij van Ingoesjetië is” wordt tegengesproken door verzoekers eigen stuk 4 vermits “integendeel […] uit de gehele lezing van het document [blijkt] dat er geen problemen zijn bij de registratie” terwijl “verzoeker […] slechts één paragraaf [leest] van zijn eigen stuk 4”. In het licht van deze overwegingen, toont verzoeker niet aan dat zijn kritiek niet is beantwoord met het bestreden arrest en toont hij derhalve geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een andere zaak tot een ander oordeel zou zijn gekomen, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Verzoeker verwijst naar de volgens hem objectieve gegevens uit zijn medische verslagen en uit de door hem bijgebrachte verslagen betreffende de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de nodige zorgen. In de mate dat hij daaruit een kennelijke beoordelingsfout en de schending van een aantal bepalingen afleidt, stelt verzoeker in wezen een andere feitelijke beoordeling voor terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Verzoeker laat gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte stelt dat “verzoeker […] de plaats waar hij het trauma opliep niet [heeft] gespecificeerd” terwijl deze plaats duidelijk is aangegeven in het medisch attest van XIV-38.003-3/5 6 september 2017 dat bij verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet was gevoegd. Verzoeker gaat er echter aan voorbij dat reeds in het advies van de ambtenaar-geneesheer, waarop de aanvankelijk bestreden beslissing is gesteund, het “verslag met foto’s letsels en littekens d.d. 6-9-2017 met uitgebreid verhaal van de gebeurtenis” wordt vermeld. Daarin wordt aangegeven dat verzoeker “een zwaar traumatische ervaring in zijn thuisland (geen objectieve informatie beschikbaar, alleen het verhaal van betrokkene) met het ontwikkelen van een PTSD” had. Vervolgens behandelt de ambtenaar-geneesheer de “beschikbaarheid van de zorgen en van de opvolging in het land van herkomst”. Zoals uit de behandeling van het tweede middelonderdeel supra blijkt, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze vastgesteld dat voor het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing uitgebreid en concreet werd nagegaan of de nodige zorgen beschikbaar en toegankelijk zijn voor verzoeker in Tsjetsjenië. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft daarbij ook rekening gehouden met verzoekers voorgehouden afkomst uit Ingoesjetië. De voorgehouden onwettigheid kan de strekking van het bestreden arrest bovendien niet hebben beïnvloed. In de eerste plaats betekent de beschikbaarheid van en de toegankelijkheid tot de nodige zorgen in Tsjetsjenië net dat verzoeker voor zijn behandeling niet hoeft terug te keren naar de plaats waar hij zijn trauma zou hebben opgelopen, met name naar Ingoesjetië. In de tweede plaats stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast “dat niet aangetoond wordt dat elke PTSD moet behandeld worden weg van de plaats van het opgelopen trauma”. Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.003-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.003-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.316 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div