id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.317 Rolnummer: A. 227788/XIV-38002 Zaak: Cassatiebeschikking 13317 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 22:41 Fiche Beschikking nr 13.317 van 15 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.317 van 15 mei 2019 in de zaak A. 227.788/XIV-38.002 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Schaarbeek A. Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie keuze van woonst wordt gedaan tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.132 van 12 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag als annulatierechter desgevraagd te onderzoeken of artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) is geschonden bij het nemen van een beslissing houdende bevel om het grondgebied te verlaten, dit aan de hand van de door de door de partijen verstrekte gegevens en de gegevens van het administratief dossier. Hij dient zich daarbij niet te beperken tot de eventuele uitdrukkelijke motieven dienaangaande in de bij XIV-38.002-1/5 hem aangevochten beslissingen. Artikel 8 van het EVRM houdt immers geen bijzondere motiveringsplicht in. Verzoeker citeert de motivering van het bestreden arrest wat het tijdsverloop sinds het laatste misdrijf en het gedrag van verzoeker tijdens die periode betreft. Vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet diende te beperken tot de uitdrukkelijke motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing en hij zich ook op het administratief dossier mocht steunen bij de toetsing van de aanvankelijk bestreden beslissing aan artikel 8 van het EVRM, toont verzoeker met de stelling dat “voorgaande motivering van het bestreden arrest […] in het geheel niet [is] terug te vinden in de beslissing van het bestuur” niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbewistingen zijn in artikel 39/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte bevoegdheid als annulatierechter heeft overschreden noch dat hij de in artikel 149 van de Grondwet en in artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft geschonden. Verzoeker citeert eveneens de motivering van het bestreden arrest wat de ernst van de moeilijkheden die de partner zou ondervinden betreft. Om de hoger uiteengezette redenen toont verzoeker met de stelling dat “ook dit […] een motivering [is] die in het geheel niet terug te vinden is in de beslissing van het bestuur” geen schending aan van de voornoemde bepalingen. Verzoekers kritiek tegen de beoordeling van de nationaliteit van zijn kinderen, meer bepaald tegen de vaststelling in het bestreden arrest dat zij “daarnaast” als kinderen van een Marokkaanse vader met toepassing van artikel 6 van de Marokkaanse nationaliteitswet eveneens de Marokkaanse nationaliteit hebben, is gericht tegen een overtollig motief. In de daaraan voorafgaande zin overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers dat “niet betwist [is] dat verzoekers partner en hun kinderen Belg zijn, dit sinds de geboorte” en dat “dit […] ook duidelijk zo [wordt] vermeld in de bestreden beslissing en hiermee werd rekening gehouden”. Verzoeker kan zich niet dienstig richten tegen een overtollig motief dat de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed en waarvan de eventuele onwettigheid dus niet kan leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. XIV-38.002-2/5 Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Wat de ernst van de moeilijkheden betreft die verzoekers partner zou ondervinden indien zij verzoeker zou volgen naar het land waarnaar deze laatste kan worden uitgewezen, wordt in het bestreden arrest gewezen op verzoekers verklaringen toen hij werd gehoord en op de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing. Na ook verzoekers kritiek op de aanvankelijk bestreden beslissing te hebben samengevat, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “op basis van de motivering in de [aanvankelijk] bestreden beslissing blijkt dat verweerder wel degelijk is nagegaan of er sprake is van ‘precieze onoverkomelijke hinderpalen’ voor het verderzetten van het gezinsleven in Marokko”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt vervolgens aan “dat verweerder op basis van de - in het kader van het hoorrecht ingeroepen - gegevens dat de partner ‘een autochtone Vlaamse is’ en zij Marokko niet kent, noch de talen die daar worden gesproken, nog geen concrete, onoverkomelijke hinderpalen aanvaardt”. Na dit te hebben getoetst aan verzoekers standpunt en de gegevens van het administratief dossier, blijkt volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “niet dat verweerder bij zijn beoordeling in verband met verzoekers partner onzorgvuldig of kennelijk heeft gehandeld, of de op het spel staande belangen niet op een proportionele wijze heeft afgewogen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft daarmee geen eigen motivering gesteld in de plaats van de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Naar luid van artikel 23, § 2, tweede lid, van de vreemdelingenwet wordt bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het verblijf onder meer rekening gehouden “met de gevolgen voor hem en zijn familieleden”. In het bestreden arrest wordt de motivering uit de aanvankelijk bestreden beslissing geciteerd wat betreft verzoekers contact met zijn vader, moeder en vier zussen. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “stelt verweerder in de [aanvankelijk] bestreden beslissing vast dat verzoekers ouders en zussen, die allen de Belgische nationaliteit hebben, alsook zijn gevestigde broer, hem regelmatig komen bezoeken in de gevangenis, waardoor deze familiebanden deel uitmaken van verzoekers privéleven in België” en oordeelt de verwerende partij “dat de sociale contacten die XIV-38.002-3/5 verzoeker in België heeft met zijn familie en vrienden niet worden verbroken, maar op regelmatige wijze kunnen worden onderhouden op andere manieren” en heeft de verwerende partij hiermee “de sociale banden zoals verzoeker deze zelf voorafgaand aan het nemen van de [aanvankelijk] bestreden beslissing naar voor bracht in het kader van het hoorrecht, met name deze met zijn ouders, zussen en broer(s), ook in rekening gebracht en beoordeeld”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt nog vast dat verzoeker geen andere specifieke banden heeft aangevoerd zodat “hij […] niet met concrete elementen aannemelijk [maakt] dat de hieromtrent gemaakte beoordeling onzorgvuldig is of hierbij geen redelijke en proportionele belangenafweging werd doorgevoerd”. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht. Hij licht niet toe welke elementen ten onrechte niet in de beoordeling van de band tussen hem en de familieleden buiten zijn gezin zouden zijn betrokken. Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Wat betreft verzoekers gezondheidstoestand, weze herhaald dat artikel 8 van het EVRM geen bijzondere motiveringsplicht inhoudt zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermag de redelijkheid en de proportionaliteit van de aanvankelijk bestreden beslissing te toetsen, zonder zich daarbij te beperken tot de uitdrukkelijke motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kon derhalve op wettige wijze vaststellen dat verzoeker op 27 april 2017 geen medische problemen aanhaalde om er op 5 mei 2017 in de vragenlijst plots wel te vermelden, dat verzoeker op geen ogenblik stukken ter staving van de ingeroepen gezondheidsproblemen voorlegde, dat niet blijkt dat verzoeker op enig ogenblik een arts raadpleegde of in behandeling is en dat verzoeker zich in het verzoekschrift tot nietigverklaring beperkt tot de algemene vermelding dat hij medische problemen zou hebben, zonder er nader op in te gaan of er een bewijs van voor te leggen. Op grond hiervan heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zonder overschrijding van zijn annulatiebevoegdheid en zonder schending van de jurisdictionele motiveringsplicht geoordeeld dat “in deze omstandigheden […] verzoeker niet aan[toont] dat er sprake is van concrete gezondheidsproblemen die zich konden verzetten tegen het nemen van de beslissing zoals deze voorligt en waarmee ten onrechte geen rekening is gehouden”. Het vierde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.002-4/5 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.002-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.317 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div