← België

Cassatiebeschikking 13318 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.318 Rolnummer: A. 227813/XIV-38006 Zaak: Cassatiebeschikking 13318 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 22:45 Fiche Beschikking nr 13.318 van 15 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.318 van 15 mei 2019 in de zaak A. 227.813/XIV-38.006 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouaiher Chihaoui kantoor houdend te 1083 Ganshoren Landsroemlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 maart 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.225 van 21 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 10 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen enkel uitspraak gedaan over de vraag of verzoeker op grond van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) als vluchteling kan worden erkend en of hem op grond van artikel 48/4 van die wet de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend. Vermits met het bestreden arrest geen uitspraak XIV-38.006-1/2 wordt gedaan over een verwijderingsmaatregel, kan verzoeker te dezen geen schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) inroepen. De schending van artikel 13 van het EVRM kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. Verzoeker werpt naast de schending van artikel 3 van het EVRM echter geen schending van een andere verdragsbepaling of daardoor beschermd recht op. Het enige middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.006-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.318 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.