← België

Cassatiebeschikking 13319 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.319 Rolnummer: A. 227843/XIV-38009 Zaak: Cassatiebeschikking 13319 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-21 22:39 Fiche Beschikking nr 13.319 van 15 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.319 van 15 mei 2019 in de zaak A. 227.843/XIV-38.009 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vincent Neerinckx kantoor houdend te 9140 Temse Akkerstraat 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 217.391 van 25 februari 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen”, artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest waarmee met hervormingsbevoegdheid uitspraak is gedaan over een beroep tegen een beslissing van de XIV-38.009-1/3 commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de vluchtelingenstatus en van de subsidiaire beschermingsstatus. Artikel 9ter van de vreemdelingenwet houdt geen verband met verzoeken om internationale bescherming en verzoeker zet niet uiteen op welke wijze deze bepaling zou zijn geschonden met het bestreden arrest. Het enige, genoemd “eerste”, middel is in die mate kennelijk niet- ontvankelijk.
  2. In punt 2 van het bestreden arrest wordt verzoekers kritiek weergegeven tegen de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing van de door hem overgelegde stukken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 3.3 van het bestreden arrest “dat, in tegenstelling met wat verzoeker tracht te laten uitschijnen, geenszins moet worden aangetoond dat deze documenten vals zijn om hieraan bewijswaarde te ontzeggen” doch dat “ook om andere redenen dan hun aangetoonde valsheid, ]…] aan deze stukken bewijswaarde [kan] worden ontzegd”. Vervolgens oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de aanvankelijk bestreden beslissing “ten aanzien van de neergelegde stukken met recht [is] gemotiveerd” en herneemt hij die motivering integraal om te besluiten dat verzoeker “ter weerlegging van deze motieven niet één concreet en dienstig element aan[voert]”. Verzoeker betwist die motivering slechts op algemene wijze door aan te voeren dat ze “geen bevredigend antwoord vormt”. Hij toont daarmee geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.009-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.009-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.319 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.