← België

Cassatiebeschikking 13320 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.320 Rolnummer: A. 227889/XIV-38019 Zaak: Cassatiebeschikking 13320 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-21 22:41 Fiche Beschikking nr 13.320 van 15 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.320 van 15 mei 2019 in de zaak A. 227.889/XIV-38.019 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Walter Van Steenbrugge kantoor houdend te 9030 Mariakerke Durmstraat 29 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.027 van 8 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In het bestreden arrest wordt de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing geciteerd met daarin onder meer de vaststelling dat verzoeker in de gevangenis verblijft waar hij nog “een heel lange gevangenisstraf” moet uitzitten en een gedetailleerde opsomming van de feiten waarvoor verzoeker strafrechtelijk werd veroordeeld en van de omstandigheden waarin ze werden gepleegd. In die beslissing werden de kwestieuze feiten als “bijzonder ernstig” omschreven en werd gesteld dat “de duur, de omvang, en de ernst van de feiten […] een beeld op[leveren] dat bijzonder gruwelijk is” en XIV-38.019-1/3 waaruit blijkt dat verzoekers handelingen “enorme schade, zowel fysisch als psychisch” hebben aangericht bij zijn “bijzonder jonge slachtoffers”. Er werd ook vastgesteld dat verzoeker gedurende jaren ongestoord zijn gang ging en in staat bleek “een perfect dubbelleven” uit te bouwen. Op grond van dat alles werd in de aanvankelijk bestreden beslissing besloten dat het risico dat verzoeker in de toekomst opnieuw de openbare orde zou schaden om zijn seksuele fantasieën te bevredigen, niet kan worden uitgesloten, dat zijn gedrag een werkelijke, actuele en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving en dat er ernstige redenen van openbare orde zijn die het beëindigen van zijn verblijf rechtvaardigen en noodzakelijk maken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er terecht op dat hij slechts een wettigheidscontrole uitoefent, dat hij niet bevoegd is om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid en dat hij bijgevolg niet zelf de belangenafweging kan doorvoeren doch enkel kan nagaan of het bestuur niet op onredelijke wijze of in strijd met de voorhanden zijnde feitelijke gegevens van de zaak tot zijn beslissing is gekomen. Vervolgens merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de verwerende partij de inbreuk op verzoekers gezinsleven verantwoord acht “omdat uit de aard en de ernst van de feiten blijkt dat verzoekers persoonlijk gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor het fundamenteel belang van de samenleving en dat zijn familiaal en persoonlijk belang dan ook ondergeschikt is aan de vrijwaring van de openbare orde”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht het “gezien de bijzondere omstandigheden van deze zaak […] niet kennelijk onredelijk dat de staatssecretaris in casu een zwaar gewicht toekent aan het gevaar dat verzoeker vormt voor de openbare orde […]”. Met die overwegingen geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onmiskenbaar aan dat hij het omwille van de bijzonder ernstige feiten, die in de aanvankelijk bestreden beslissing als “gruwelijk” werden omschreven en waarin ook verzoekers verblijf in de gevangenis werd vermeld, niet onredelijk acht verzoeker te beschouwen als een gevaar voor de openbare orde. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en het komt hem derhalve niet toe om zelf te oordelen of verzoeker al dan niet een gevaar voor de openbare orde vormt omdat hij in de gevangenis verblijft. Verzoeker toont derhalve geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht noch van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni
  2. XIV-38.019-2/3 Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.019-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.