← België

Cassatiebeschikking 13327 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/05/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.327 Rolnummer: A. 227902/XIV-38021 Zaak: Cassatiebeschikking 13327 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 07:20 Fiche Beschikking nr 13.327 van 21 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.327 van 21 mei 2019 in de zaak A. 227.902/XIV-38.021 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61 / bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.337 van 15 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In het eerste middel acht verzoeker het recht van verdediging geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft geweigerd de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof op grond van een ambtshalve opgeworpen motief waarover verzoeker geen tegenspraak heeft kunnen voeren. XIV-38.021-1/4 In het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof als volgt beoordeeld: “Verzoeker verzoekt de Raad vervolgens om aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: ‘Schendt artikel 55/5/1, § 2,1° van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, dat bepaalt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de subsidiaire beschermingsstatus intrekt ten aanzien van de vreemdeling die met toepassing van artikel 55/4, §§ 1 of 2 uitgesloten wordt of had moeten zijn, waarbij in casu de subsidiaire beschermingsstatus van een vreemdeling wordt ingetrokken op grond van de reden vermeld in artikel 55/4, § 1, c), namelijk de vreemdeling die een ernstig misdrijf heeft gepleegd, geïnterpreteerd in die zin dat de subsidiaire beschermingsstatus wordt ingetrokken op grond van de correctionele veroordeling wegens een misdrijf gepleegd jaren nadat de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend, terwijl vaststaat dat de toekenning indertijd van de subsidiaire beschermingsstatus rechtmatig was, het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel?’ De Raad wijst er evenwel op dat ingevolge artikel 26, § 1, van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, voornoemd Hof bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak doet bij wege van arrest op vragen omtrent: ‘1° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten; 2° onverminderd 1°, elk conflict tussen decreten of tussen regels bedoeld in artikel 134 van de Grondwet, die uitgaan van verschillende wetgevers en voor zover het conflict ontstaan is uit hun onderscheiden werkingssfeer; 3° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de artikelen van titel II ‘De Belgen en hun rechten’, en de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet, 4° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, van artikel 143, § 1, van de Grondwet.’ De schending door artikel 55/5/1, § 2, 1°, van de Vreemdelingenwet van het ‘legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel’ valt hier niet onder. De Raad ziet dan ook geen reden om in te gaan op het verzoek van verzoeker om de hierboven aangehaalde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aldus het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag verworpen omdat het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, waaraan verzoeker artikel 55/5/1, § 2, 1° van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) getoetst wil zien, niet vallen onder de toetsingsnormen bedoeld in artikel 26, § 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’. Dit motief is geen ambtshalve middel of ambtshalve exceptie waarover verzoeker in de gelegenheid moest worden gesteld om in een XIV-38.021-2/4 procedurestuk of tijdens de terechtzitting tegenspraak te voeren. Het betreft louter het motief op grond waarvan het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt geweigerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is er niet toe gehouden om verzoeker op voorhand in kennis te stellen van de motieven van zijn arrest, zodat verzoeker over die motieven tegenspraak zou kunnen voeren. Van een schending van het recht van verdediging kan derhalve geen sprake zijn. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  2. Ten onrechte voert verzoeker in het tweede middel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ heeft geschonden door te oordelen dat het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet vallen onder de toetsingsnormen bedoeld in het voornoemde artikel 26, §
  3. Het Grondwettelijk Hof heeft zich al herhaaldelijk onbevoegd verklaard om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan de algemene rechtsbeginselen (zie onder meer GwH 14 december 2005, nr. 189/2005, B.3.6; GwH 22 mei 2013, nr. 70/2013, B.3). De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest dan ook terecht geoordeeld dat het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel niet vallen onder de toetsingsnormen bedoeld in artikel 26, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’. Anders dan verzoeker beweert moet uit de libellering van het door hem voor de Raad van Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde middel niet worden afgeleid dat hij artikel 55/5/1, § 2, 1° van de vreemdelingenwet in strijd achtte met het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dat hij het voornoemde artikel 55/5/1, § 2, 1°, van de wet van 15 december 1980 aan die grondwettelijke bepalingen getoetst wou zien, gelet onder meer op de duidelijke formulering van de door hem voorgestelde prejudiciële vraag waarin hij uitdrukkelijk om de toetsing vraagt aan het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Uit de beoordeling van het eerste middel is reeds gebleken dat verzoeker op de terechtzitting niet in de gelegenheid moest worden gesteld uitdrukkelijk in te gaan tegen de mogelijke weigering van de voorgestelde prejudiciële vraag. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.021-3/4 BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.021-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.327 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.