id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 21 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.328 Rolnummer: A. 227950/XIV-38030 Zaak: Cassatiebeschikking 13328 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 21/05/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-21 22:38 Fiche Beschikking nr 13.328 van 21 mei 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.328 van 21 mei 2019 in de zaak A. 227.950/XIV-38.030 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nikitta Zamani kantoor houdend te 1081 Brussel Frans Gasthuislaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.079 van 11 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist XIV-38.0320-1/9 zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
- Ten onrechte voert verzoeker in het eerste onderdeel van het enige middel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de jurisdictionele motiveringsplicht heeft geschonden door geen antwoord te geven op zijn argumentatie dat de motivering van de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet overeenstemt met verzoekers verklaringen tijdens het gehoor. Uit het bestreden arrest (punt 2.1) blijkt immers dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vooreerst elk van de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangevoerde kritieken op de motieven van de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen heeft geciteerd. Vervolgens wordt in het arrest overwogen: “Verzoeker tracht het geheel van de bestreden motivering daarbij vooreerst te ondermijnen door te laten uitschijnen dat zijn antwoorden bij het CGVS door de ondervrager slordig, onzorgvuldig en onvolledig zouden zijn genoteerd. In tegenstelling met wat verzoeker tracht te laten uitschijnen, kan dit echter niet worden afgeleid uit zijn antwoord op de vraag naar natuurlijke rampen in de buurt, zoals geciteerd op pagina 21 van het verzoekschrift. Dit antwoord is namelijk neergeschreven in voldoende duidelijke bewoordingen en hieruit blijkt dat verzoeker aangaf dat er soms overstromingen gebeurden, dit soms in de maand hamal, en dat de landen dichtbij de rivier daardoor schade opliepen. Evenmin kan verzoeker om afbreuk te doen aan de inhoud van de bestreden motivering en beslissing volstaan met zijn verwijzing naar het gegeven dat de opmerkingen van verzoekers advocaat, die aan het einde van het gehoor opmerkingen mocht formuleren, slordig of onvolledig zouden zijn genoteerd. Vooreerst blijkt uit de inhoud van de betreffende passage in het gehoorverslag, zoals weergegeven op pagina 23 en 24 in het verzoekschrift, tezamen gelezen met de notities van verzoekers advocaat die bij het verzoekschrift worden gevoegd en de hierin opgenomen opmerkingen, dat minstens de essentie van de opmerkingen van de advocaat is opgenomen in het gehoorverslag, dat daarbij weldegelijk voldoende duidelijk wordt aangegeven dat en waar zich volgens deze advocaat problemen hadden voorgedaan in de vertaling en dat ook de opmerkingen vanwege deze advocaat inzake de publiciteit door de taliban hierin duidelijk naar boven komen. Hoe dan ook dient te worden opgemerkt dat, zo verzoeker al zou kunnen worden gevolgd in zijn betoog dat de opmerkingen van zijn advocaat, die deel uitmaakten van een onafgebroken en lang betoog, te slordig of onvolledig werden genoteerd, uit dit loutere gegeven geenszins kan worden afgeleid dat dit ook zou gelden voor de rest van het gehoorverslag. Te dezen dient te worden vastgesteld dat, zo hij van mening is dat er nog andere van zijn gezegden foutief, slordig of onzorgvuldig zouden zijn genoteerd, verzoeker dit in concreto dient aan te tonen. Verzoeker laat echter na concreet aan te tonen of uit te werken dat, waar of op welke wijze dit de weergave van zijn gezegden zou hebben beïnvloed. Evenmin toont hij aan dat, waar of hoe dit van invloed zou zijn geweest op de bestreden motivering en beslissing. Ten overvloede kan in het kader van het voorgaande nog worden XIV-38.0320-2/9 opgemerkt dat, waar en in zoverre relevant, de Raad in hetgeen volgt terdege rekening houdt met de opmerkingen van verzoekers advocaat zoals deze blijken uit zowel de inhoud van het gehoorverslag van het CGVS als de notities die verzoekers advocaat tijdens dit gehoor nam. Daarbij kan vooreerst worden ingegaan op de door verzoekers advocaat reeds ten tijde van het gehoor aangevoerde vertaalproblemen. Vooreerst kan in dit kader worden opgemerkt dat verzoeker zelf aangaf de tolk bij het CGVS goed te begrijpen. Verder werd er aan hem verduidelijkt dat hij het diende te melden indien zich problemen zouden voordoen (betreffende de tolk of andere problemen) (administratief dossier, gehoorverslag CGVS, p. 1-2). Verzoeker deed dit niet. Integendeel gaf hij aan het einde van het gehoor duidelijk aan alle vragen te hebben begrepen en de tolk goed te hebben begrepen (ibid., p. 26). Tussen verzoeker en de tolk deden zich aldus alleszins geen problemen inzake de vertaling of communicatie voor. Verzoekers advocaat merkte vervolgens, zoals blijkt uit de reeds hoger vermelde, in het verzoekschrift aangehaalde passage uit het gehoorverslag van het CGVS en de notities van verzoekers advocaat tijdens het gehoor, wel op dat de tolk, ingevolge diens gebrek aan kennis van het Engels, een gebrekkige vertaling zou hebben gedaan van een aantal verklaringen. Dat de tolk het Engels dermate onmachtig zou zijn geweest dat deze niet bij machte was om de verklaringen van de verzoeker op een gedegen wijze over te brengen aan de ondervrager en omgekeerd, vindt echter steun in noch het gehoorverslag, noch de opmerkingen van verzoekers advocaat. Vooreerst blijkt uit het gehoorverslag dat het gehoor op normale wijze is geschied en kunnen hieruit geen noemenswaardige problemen inzake de vertaling of communicatie worden afgeleid. Uit de opmerkingen van verzoekers advocaat blijkt daarenboven dat de vertaling op de elf punten die deze advocaat aanhaalde geenszins zodanig ondermaats was dat hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de tolk niet bij machte was om de verschillende gezegden die door de ondervrager en verzoeker werden gebezigd op een gedegen wijze over te brengen. In tegenstelling met wat verzoekers advocaat heden laat uitschijnen, werden de gezegden van de ondervrager en verzoeker immers niet ‘foutief’ of incorrect overgebracht. Hoogstens blijkt uit de opmerkingen van verzoekers advocaat dat bepaalde van de verklaringen met een iets andere nuancering of een beetje verkort of samengevat werden weergegeven. De kern van hun verklaringen werd daarbij echter weldegelijk en duidelijk correct vertaald. Voor het overige, kan in het kader van het voorgaande worden herhaald dat, waar en in zoverre relevant, de Raad in hetgeen volgt de opmerkingen van verzoekers advocaat, zoals deze blijken uit zowel de inhoud van het gehoorverslag van het CGVS als de notities die verzoekers advocaat tijdens dit gehoor nam, mee in de beoordeling betrekt. De elf door verzoekers aangehaalde verschillen in de vertaling, worden in hetgeen volgt aldus terdege in rekening gebracht. Daarbij dient bovendien te worden opgemerkt dat, nu verzoekers advocaat blijkens hetgeen aangevoerd wordt in het verzoekschrift zelf zowel de gehoortaal, het Engels als het Nederlands machtig was, uit de opmerkingen van de advocaat kan worden afgeleid dat de vertaling van de gezegden van de ondervrager en van verzoeker benevens op het vlak van de elf door deze advocaat aangehaalde punten weldegelijk correct is geschied. Indien dit niet zo was, kon immers worden verwacht dat de advocaat ook over de overige verklaringen en hun vertaling de nodige opmerkingen zou hebben geformuleerd. Dit geldt nog des te meer nu verzoeker ook in het onderhavige verzoekschrift voor het overige geen bijkomende opmerkingen formuleert inzake de vertaling of communicatie. Hij toont op generlei wijze aan dat, waar of op welke wijze bepaalde van zijn andere gezegden foutief zouden zijn vertaald of neergeschreven. Evenmin duidt hij aan waar of hoe dit van invloed zou zijn geweest op de bestreden motivering en beslissing.” XIV-38.0320-3/9 Vervolgens heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen elk van de door verzoeker in zijn verzoekschrift aangevoerde kritieken op de motieven van de beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen onderzocht en daarop een antwoord gegeven, ook en vooral in de mate dat verzoeker aanvoert dat die motieven in strijd zijn met zijn verklaringen tijdens het verhoor. Zo valt in het bestreden arrest te lezen: “Verder wordt in de bestreden beslissing terecht gesteld: ‘Vooreerst dient vastgesteld te worden dat u geen zicht biedt op de omstandigheden waarin u Afghanistan hebt verlaten. Gevraagd naar wanneer u Afghanistan hebt verlaten, zegt u dat u een jaar onderweg was (CGVS, p. 7). Nogmaals gevraagd of u weet wanneer u Afghanistan hebt verlaten, zegt u dat u in een haast was en de datum niet kon noteren (CGVS, p. 7). Gevraagd of u het ongeveer weet, zegt u eerst dat het ongeveer 1393 of 1394 was. Vervolgens geeft u aan dat het misschien 1394 of 1395 was en dat u niet zeker bent (CGVS, p. 7). Geconfronteerd met uw ruime schatting van de tijdsperiode waarin u Afghanistan zou verlaten hebben, geeft u de weinig overtuigende uitleg dat u nooit aan de datum dacht (CGVS, p. 7). Verder wordt u gevraagd wie uw reis heeft geregeld, waarop u repliceert dat u het niet weet en dat uw vader betaalde (CGVS, p. 13). Gevraagd hoeveel uw reis heeft gekost, weet u het niet (CGVS, p. 13). Gevraagd wie uw reis heeft betaald, zegt u dat uw vader betaald heeft of zijn vriend (CGVS, p. 13). Gevraagd wat uw vader of zijn vriend heeft gedaan om dit geld bijeen te krijgen, zegt u het niet weten en dat u denkt dat hij het geleend heeft (CGVS, p. 13). Gevraagd voor een verklaring voor het feit dat u niet weet hoeveel uw reis gekost heeft, noch wie precies uw reis betaald heeft, noch hoe die persoon het geld bijeen heeft gekregen, geeft u de nietszeggende verklaring dit het niet gevraagd te hebben aan de smokkelaar (CGVS, p. 13).’ Verzoeker slaagt er niet in om afbreuk te doen aan deze motieven. Gezien hij kon aangeven dat hij ongeveer een jaar onderweg was naar België, mocht eveneens van hem worden verwacht dat hij toch bij benadering zou kunnen aangeven wanneer hij Afghanistan verliet. Minstens mocht, ook indien hij niet goed was met datums en daarom niet de exacte datum van hem mocht worden verwacht, worden verwacht dat hij toch het jaartal volgens de Afghaanse kalender zou kunnen geven waarin hij zijn land verliet. Dat hij niet wist of dit nu geschiedde in 1393, 1394 of 1395 werpt weldegelijk een zware smet op de algehele geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Verder was het, in tegenstelling met wat verzoeker laat uitschijnen, niet onredelijk om van hem te verwachten dat hij de nodige duiding zou kunnen geven over de wijze waarop zijn reis werd geregeld, de kostprijs voor zijn reis en de persoon die deze kostprijs betaalde. Redelijkerwijze kon van verzoeker worden verwacht dat hij in dergelijke zaken, die bepalend waren voor zijn toekomst, toch enige interesse zou hebben getoond. Minstens kon worden verwacht dat hij zich hierover zou hebben geïnformeerd bij zijn vader doorheen de contacten die hij nog met zijn vader onderhield vanuit België; al was het maar om zijn reisweg in het kader van zijn verzoek om internationale bescherming te kunnen uiteenzetten. Waarom zijn vader dergelijke informatie aan hem niet zou hebben willen meedelen, kan in dit kader niet worden ingezien. Dat verzoeker niet kon preciseren wanneer hij zijn land zou hebben verlaten en evenmin de nodige kennis vertoonde omtrent de wijze waarop en de prijs waarvoor zijn reis werd geregeld, vormt een negatieve indicatie voor de algehele geloofwaardigheid van zijn gezegden. XIV-38.0320-4/9 Verder wordt in de bestreden beslissing terecht vastgesteld dat verzoeker een bijzonder gebrekkige kennis vertoonde inzake zowel zijn onmiddellijke regio als de wijdere omgeving. De motieven dienaangaande luiden als volgt: ‘Verder is uw geografische kennis van uw regio bijzonder beperkt. Op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) verklaart u dat u in Kohnagmar (hoofdstad) woont, zonder vermelding van een district (zie verklaring DVZ, p. 4). Tijdens het gehoor op het CGVS verklaart u initieel dat uw woonplaats niet tot een district behoort, maar tot de Kohnagmar vallei (CGVS, p. 5). Opnieuw gevraagd in welk district u woont, zegt u opnieuw dat u niet in een district woont maar dat uw woonplaats tot het centrum toebehoort, Kohnagmar vallei (CGVS, p. 14). Gevraagd of Maidan Shahr ook een district is, zegt u dat Maidan Shahr de provinciehoofdstad van Maidan Wardak is (CGVS, p. 14). Opnieuw gevraagd of Maidan Shahr ook een district is, zegt u dat u het niet weet en dat u enkel weet dat het centrum Maidan Shahr noemt (CGVS, p. 14- 15). Dat u geen weet heeft van de naam van uw eigen district roept ernstige vragen op. Gevraagd welke districten aan uw woonplaats/district grenzen, weet u slechts één aanliggend district op te noemen, Nirkh, waarna u zegt dat u de andere niet kent (CGVS, p. 15). Gezien u acht jaar naar school geweest bent, wordt u gevraagd hoe het komt dat uw kennis over de aanliggende districten in die mate beperkt is. Hierop noermt u naast Nirkh de naam van zes andere districten van de provincie Maidan Wardak en vervolgt met te zeggen dat u de rest niet weet (CGVS, p. 15). Gevraagd welk district van de provincie Kaboel aan uw district grenst, zegt u het niet te weten (CGVS, p. 15). Geconfronteerd met de naam van het district van Kaboel dat aan uw district grenst, meerbepaald Paghman (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier), weet u te zeggen dat het aan Kaboel ligt maar u weet niet waar (CGVS, p. 25). Gevraagd waar Chahar Asyab ligt, een ander district van de provincie Kaboel dat dichtbij uw district ligt (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier), zegt u het niet te kennen (CGVS, p. 25). Gevraagd welke provincies aan uw provincie grenzen, weet u slechts twee provincies op te noemen, Ghazni en Kaboel (CGVS, p. 15). Volgens informatie waarover het CGVS beschikt, grenst de provincie Maidan Wardak ook aan de provincies Logar, Bamyan en Parwan (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier). Gevraagd of er nog provincies zijn die aan uw provincie grenzen, zegt u van wel maar dat u dat het niet weet (CGVS, p. 15). Dat u later tijdens het gehoor vijftien Afghaanse provincies weet op te noemen en zegt dat u op school leerde dat er 32 of 34 Afghaanse provincies zijn (CGVS, p. 15), maakt uw gebrek aan kennis over uw eigen provincie en district des te opvallender. Gevraagd waar Bamyan ligt, zegt u het niet te weten (CGVS, p. 15-16). Gevraagd waar Parwan ligt, zegt u dat u op de kaart zag dat het dichtbij Kaboel ligt (CGVS, p. 16). Wanneer u gevraagd wordt om preciezer te zijn, kan u louter meegeven dat Parwan ook in het noorden ligt (CGVS, p. 16). Gevraagd naar grote steden in Afghanistan, noemt u Mazar-e-Sharif op (CGVS, p. 17). Gevraagd of de stad Kaboel dichtbij uw dorp ligt, zegt u dat de provincie Kaboel bij uw provincie ligt en dat u niet weet van een andere stad (CGVS, p. 17). Gevraagd waar de stad Kaboel ligt, zegt u het niet te weten (CGVS, p. 17). Gevraagd welke grote stad dichtbij uw dorp ligt, zegt u het niet te weten (CGVS, p. 17). Volgens de kaart ligt de stad Kaboel op slechts een 44 kilometer (via de weg) van Maidan Shahr (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier). Gevraagd naar rivieren in uw district, zegt u dat er een kleine rivier was (CGVS, p. 16). Gevraagd naar de naam van de rivier, zegt u die geen naam heeft en dat het een kleine rivier is, noch weet u waar de rivier naartoe gaat (CGVS, p. 16). Volgens de kaart loopt de Kaboelrivier nochtans door uw district (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier).’ XIV-38.0320-5/9 Verzoeker voert ter weerlegging van de voormelde motieven niet één concreet en dienstig argument aan. Gezien hij (minstens) acht jaar naar school ging, en dit van zijn 5e of 6e tot zijn 14e of 15e, en hij daarbij schoolliep tot de achtste graad (oftewel het tweede middelbaar) (administratief dossier, gehoorverslag CGVS, p. 7-8), mocht van verzoeker, ook als minderjarige en als persoon die zijn dorp en zijn district niet verliet, weldegelijk een (veel) meer gedegen kennis worden verwacht omtrent de voormelde elementen. Dit geldt nog des te meer nu verzoeker zelf duidelijk aangaf dat zij op school onder meer geografie kregen, dat zij in het kader van dit vak leerden over de bergen, rivieren en het land (ibid., p .9-10) en dat zij eveneens studeerden over de provincies (ibid., p. 15). Dat verzoeker over de voormelde elementen dermate gebrekkige verklaringen aflegde en niet bij machte bleek om te antwoorden op dermate elementaire en eenvoudige kennisvragen omtrent de geografie van zijn district, provincie en land van herkomst, laat niet toe nog enig geloof te hechten aan zijn herkomst van deze regio. Dat hij wel een aantal andere verklaringen aflegde die niet expliciet door verweerder worden tegengesproken, weegt tegen de voormelde aperte lacunes in zijn kennis bijgevolg geheel niet op. In de bestreden beslissing wordt eveneens met recht gemotiveerd als volgt: ‘Gevraagd naar meisjesscholen in uw district, zegt u dat er geen zijn (CGVS, p. 8). Nochtans blijkt uit informatie waarover het CGVS beschikt, dat er in 2012 een middelbare meisjesschool ingehuldigd werd voor 972 studenten. Deze school in Maidan Shahr werd hierdoor het instituut met het hoogste niveau voor scholing voor meisjes in de provincie. Diezelfde week werd in de regio nog een meisjesschool geopend (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier). Dat u hiervan helemaal niet op de hoogte bent, doet verbazen.’ Verzoeker voert ter weerlegging van deze motieven geen dienstige argumenten aan. Uit zijn verklaringen, waarnaar terecht verwezen wordt in voormelde motivering en zoals door verzoeker zelf aangehaald in het verzoekschrift, blijkt duidelijk dat verzoeker niet op de hoogte was van het bestaan van de meisjesscholen in zijn eigen district. Gelet op zijn eigen argumentatie dienaangaande, mocht dit nochtans weldegelijk van hem worden verwacht. Blijkens hetgeen verzoeker aanvoert, zouden in zijn regio immers niet enkel zulke scholen zijn opgericht, doch zou de taliban aldaar eveneens heftig tegen deze scholen gekant zijn en zou zich bijgevolg een ernstig incident hebben voorgedaan. Gezien verzoeker zelf jarenlang naar school ging, gezien hij naar de (lokale) radio luisterde, gezien zijn vader naar het nieuws luisterde en gezien zijn vader hem bovendien inlichtte over incidenten in de regio (administratief dossier, gehoorverslag CGVS, p. 16, 20), mocht van verzoeker worden verwacht dat hij beter op de hoogte zou zijn van het bestaan van en de incidenten inzake de meisjesscholen in zijn regio. Dit geldt des te meer nu de taliban tegen deze scholen gekant waren, en nu de taliban het, zoals verzoeker zelf aanvoert, in grote delen van de regio voor het zeggen hadden, predikten tegen onderwijs voor (oudere) meisjes en zorgden voor het meeste publiciteit en voor het informeren van de bevolking. Bovendien wordt in de bestreden beslissing met reden aangegeven: ‘Ook uw kennis over incidenten en conflicten in uw regio doet verbazen. Gevraagd naar gebeurtenissen in uw regio waarover gepraat werd, zegt u dat u niets speciaals hoorde en vernoemt u een incident waarbij een jongen door een mijn geraakt werd (CGVS, p. 21). Gevraagd of er iets in de stad Maidan Shahr gebeurde tijdens het laatste jaar dat u er verbleef, zegt u dat u niets hoorde (CGVS, p. 21). Geconfronteerd met het feit dat uw regio naar eigen zeggen gevaarlijk is en u desondanks geen incidenten kunt opnoemen; zegt u dat er altijd een conflict was, dat er een incident was in Jalrez waarbij leden van het nationaal leger werden gedood, dat er bruggen werden opgeblazen en dat dit dagelijks gebeurde in uw regio (CGVS, p. 21). Gevraagd of u een concreet voorbeeld kan geven van incident dat in uw regio gebeurde, zegt u dat de taliban altijd hinderlagen en mijnen op de hoofdweg legt en dat er soms conflicten XIV-38.0320-6/9 gebeuren op de hoofdweg (CGVS, p. 21-22). Gevraagd of u weet van een concreet incident dat in de stad Maidan Shahr gebeurde, zegt u dat u het niet weet (CGVS, p. 22). Gevraagd of u weet heeft van een incident met de lokale politie, zegt u dat u hoorde dat er in Jalrez veel nationale politie werd gedood (CGVS, p. 22). Gevraagd wanneer dit incident plaatsvond zegt u dat het in 1393
(2014)was (CGVS, p. 22). Gevraagd of u de maand nog weet, zegt u dat u het niet weet en dat u zelfs het jaar niet zeker weet omdat het lang geleden is (CGVS, p. 22). Gevraagd wat u weet van dat incident, zegt u dat u hoorde dat de taliban veel mensen doodde (CGVS, p. 22). Gevraagd wat u weet van de mensen die gedood werden, zegt u dat ze van het nationale leger waren (CGVS, p. 22). Gevraagd welke etnie deze mensen hadden, zegt u dat niet weet of het Hazara’s, Pasjtoenen of Tadzjieken waren (CGVS, p. 22). Volgens informatie waarover het CGVS beschikt, vond er inderdaad een aanval van de taliban plaats in Jalrez in juli
- Hierbij kwamen 24 leden van de Afghaanse Lokale Politie om het leven; allen van Hazara afkomst (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier). Wanneer u met geconfronteerd wordt met deze informatie zegt u louter dat u hoorde dat het ging om het nationaal leger en dat er niet werd vermeld of ze Hazara’s, Pasjtoenen of Tadzjieken waren (CGVS, p. 22). In het licht van de nationale media-aandacht die dit incident en de nasleep van dit incident kreeg (zie informatie toegevoegd aan het administratief dosser), is het bijzonder vreemd dat u, als inwoner van de provincie Maidan Wardak, slechts zeer oppervlakkige en zelfs foutieve informatie over dit incident weergeeft.’ Verzoeker voert andermaal geen dienstige argumenten aan ter verklaring van zijn verregaande onwetendheid. Zoals terecht wordt opgemerkt in de bestreden beslissing, genoot het incident in Jalrez nationale media-aandacht. Bovendien luisterde verzoeker naar de (lokale) radio, luisterde zijn vader naar het nieuws en lichtte zijn vader hem in van incidenten in de regio. Eveneens gaf verzoeker aan en herhaalt hij in het verzoekschrift dat de taliban de bevolking inlichtten over het incident. Bijgevolg was het geenszins onredelijk om van verzoeker te verwachten dat hij het incident in Jalrez correct zou kunnen situeren in de tijd of minstens in het juiste jaar. Eveneens was het gelet op het voorgaande redelijk om te verwachten dat hij meer gedegen verklaringen zou kunnen afleggen over dit incident, dat in werkelijkheid en in strijd met zijn gezegden slechts enkele maanden voor zijn vertrek uit zijn land van herkomst plaatsvond. Voorts wordt in de bestreden beslissing terecht gesteld: ‘U bleek verder niet op de hoogte van het conflict tussen Hazara’s en Kuchi’s in uw provincie. Gevraagd of u weet hebt van een conflict waarin Hazara’s betrokken zijn in uw provincie, zegt u dat Taliban en Daesh hetzelfde zijn en dat ze een probleem hebben met Sjia mensen (CGVS, p. 4). Gevraagd of u weet heeft van een landconflict waarin Hazara’s betrokken zijn, zegt u dat u het nog nooit heb gehoord en dat het niet in uw regio gebeurde (CGVS, p. 4). Later wordt u gevraagd of er problemen zijn met Kuchi’s in uw provincie, waarop u repliceert dat er geen problemen zijn (CGVS, p. 23). Hoewel het conflict tussen Kuchi’s en de Hazara zich niet in uw eigen district afspeelt, is het vreemd dat u, als burger van de provincie Maidan Wardak, niets zou opgevangen hebben van geweld dat zich in uw eigen provincie afspeelt. Dit geweld is immers gerelateerd aan een jaarlijks terugkerend conflict tussen Hazara’s en nomadische Kuchi’s, dat de laatste tien jaar tot verschillende gewelddadige escalaties heeft geleid (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier).’ Verzoeker slaagt er niet in deze motieven te ontkrachten. Uit zijn verklaringen, die hij zelf opnieuw aanhaalt in het verzoekschrift, blijkt duidelijk dat hij in het geheel niet op de hoogte was van het conflict tussen de Hazara en de Kochi’s in zijn regio. Dat hij zelf tot geen van beide etnieën behoort, doet geenszins afbreuk aan het gegeven dat van hem verwacht mocht worden dat hij over dit opvallende conflict op XIV-38.0320-7/9 de hoogte zou zijn. In deze kan andermaal worden herhaald dat verzoeker jarenlang naar school ging, dat zijn vader naar het nieuws luisterde en hem inlichtte over incidenten in de regio en dat ook verzoeker zelf naar de (lokale) radio luisterde. Dat hij desalniettemin zelfs niet bleek te hebben gehoord over de problemen tussen de Kochi’s en de Hazara en de verschillende gewelddadige escalaties die het conflict tussen deze partijen kenmerkten, is niet aannemelijk. Daarenboven wordt in de bestreden beslissing met recht gemotiveerd: ‘Gevraagd of u politieke partijen kent die actief zijn in de regio, zegt u dat u enkel de taliban kent (CGVS, p. 19-20). Gevraagd of u als gehoord hebt van Hezb-e-Islami, zegt u dat u de naam hoorde maar dat ze niet actief zijn in uw regio (CGVS, p. 20). Gevraagd wat u weet over Hezb-e-Islami, zegt u dat u geen informatie heeft en dat u enkel weet dat het een politieke partij is (CGVS, p. 20). Gevraagd naar het Haqqani netwerk, zegt u dat u er niets speciaals van weet en dat het zoals de taliban is (CGVS, p. 20). Beide organisaties, Hezb-e-Islami en het Haqqani netwerk, zijn actief in uw regio en zijn verantwoordelijk voor verschillende aanslagen die gepleegd werden (zie informatie toegevoegd aan het administratief dossier). Als inwoner van Maidan Shahr, die naar eigen zeggen naar de radio luisterde (CGVS, p. 16), is het opvallend dat u hierover zo weinig weet te vertellen.’ Verzoeker voert ter weerlegging van deze motieven geen dienstige argumenten aan. Hij beperkt zich ertoe te poneren dat uit zijn verklaringen zou blijken dat hij weldegelijk de nodige informatie kon geven over Haqqani en over Hezb-e-Islami. Dit vormt echter een loutere en kennelijke miskenning van de inhoud van zowel zijn voormelde, eveneens in het verzoekschrift geciteerde gezegden als de inhoud van de bestreden beslissing. Uit verzoekers verklaringen blijkt duidelijk dat hij ten onrechte beweerde dat enkel de taliban in zijn regio actief waren, dat hij foutief aangaf dat Hezb-e-Islami in zijn regio niet actief was en dat hij niets speciaal wist te vertellen over Haqqani en slechts kon aangeven dat Haqqani ‘ook de taliban genoemd worden’ en zoals de taliban waren. Nochtans mocht van hem hierover gelet op de reeds meermaals aangehaalde redenen en in acht genomen dat zulke kennis toch essentieel was voor het inschatten van de eigen veiligheid onder meer bij het naar school gaan een meer gedegen kennis worden verwacht.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dan ook voldaan aan de op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht.
- In het tweede onderdeel van het enige middel voert verzoeker aan dat artikel 149 van de Grondwet is geschonden doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen antwoord heeft gegeven op zijn argumentatie dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de in artikel 48/6, § 1, van de vreemdelingenwet bedoelde samenwerkingsplicht niet heeft nageleefd doordat geen beroep werd gedaan op een degelijke tolk en na de vele opmerkingen op de tolk verzoeker niet door een andere tolk werd gehoord. In dat verband moet vooreerst worden opgemerkt dat verzoeker in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de schending heeft XIV-38.0320-8/9 aangevoerd van artikel 48/6, § 1, van de Vreemdelingenwet, en al evenmin dat hij door een andere tolk had moeten worden gehoord. De jurisdictionele motiveringsplicht vereist dan ook niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op deze argumenten een antwoord geeft. Voor het overige is bij de beoordeling van het eerste onderdeel van het middel reeds vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest verzoekers opmerkingen omtrent de tolk uitgebreid heeft beantwoord. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de krachtens artikel 149 van de Grondwet op hem rustende jurisdictionele motiveringsplicht. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op eenentwintig mei tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.0320-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.328 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div