← België

Cassatiebeschikking 13338 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.338 Rolnummer: A. 227967/XIV-38033 Zaak: Cassatiebeschikking 13338 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-21 22:31 Fiche Beschikking nr 13.338 van 3 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.338 van 3 juni 2019 in de zaak A. 227.967/XIV-38.033 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.506 van 19 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 mei 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingen- wet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te XIV-38.033-1/7 voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 2.
  2. In het enige middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen een verkeerde toepassing heeft gemaakt van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet, gelet op het UNHCR-rapport ‘Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Afghanistan’ van 30 augustus 2018, en hierbij de jurisdictionele motiveringsplicht vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet heeft miskend. 2.
  3. Ten onrechte betoogt verzoeker in dat verband dat het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat toepassing kan worden gemaakt van een intern vestigingsalternatief in de stad Kabul rekening houdende met de relevante algemene en persoonlijke omstandigheden, haaks staat op de algemene conclusie uit het voornoemde UNHCR-rapport dat een intern vestigingsalternatief in het algemeen niet beschikbaar is in Kabul. Hoewel het UNHCR in zijn Eligibility Guidlines van 30 augustus 2018 inderdaad stelt dat een intern vestigingsalternatief in het algemeen niet beschikbaar is in Kabul, kan uit die conclusie - en meer specifiek uit het gebruik van de bewoordingen “in het algemeen” - immers geenszins worden afgeleid dat het UNHCR van oordeel is dat voor iedere verzoeker een intern vestigingsalternatief in Kabul is uitgesloten. De Raad voor Vreemdelingen- betwistingen overweegt dan ook volkomen terecht in het bestreden arrest: “Daar waar UNHCR in zijn ‘Eligibility Guidelines’ van 30 augustus 2018 stelt dat een intern vestigingsalternatief in het algemeen niet beschikbaar is in Kabul (‘UNHCR considers that an IFA/IRA is generally not available in Kabul’), dient erop gewezen dat uit het geheel van de richtlijnen van UNHCR van 30 augustus 2018, alsook uit de informatie van EASO blijkt dat een intern vestigingsalternatief in de stad Kabul geenszins wordt uitgesloten voor iedere verzoeker. Er dient benadrukt te worden dat in de richtlijnen van UNHCR onder meer wordt gesteld als volgt: ‘[…] an assessment of the possibility of relocation to Kabul requires an assessment of both the relevance and the reasonableness of this proposed area of relocation. In addition, if an IFA/IRA to Kabul is considered in asylum procedures, all relevant general and personal circumstances regarding the relevance and reasonableness of Kabul as a proposed area of relocation for the particular applicant must be established to the extent possible and must duly be taken into account.’ (vrije vertaling: de beoordeling van de mogelijkheid van hervestiging naar Kabul vereist een beoordeling van zowel de relevantie als de redelijkheid van deze vooropgestelde regio van hervestiging. Bovendien, wanneer een intern vestigingsalternatief naar Kabul wordt overwogen in asielprocedures, moeten alle relevante algemene en persoonlijke omstandigheden betreffende de relevantie en de redelijkheid van Kabul als een XIV-38.033-2/7 vooropgestelde regio van hervestiging voor de concrete verzoeker zoveel als mogelijk worden vastgesteld en moet hiermee terdege rekening worden gehouden.). Hieruit blijkt dat wel degelijk toepassing kan worden gemaakt van een intern vestigingsalternatief naar de stad Kabul, rekening houdend met de relevante algemene en persoonlijke omstandigheden.” 2.3.
  4. Voorts laat verzoeker gelden dat, in de mate dat wordt geoordeeld dat volgens het UNHCR wel toepassing kan worden gemaakt van een intern vestigingsalternatief in de stad Kabul, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest de in het UNHCR-rapport aangehaalde twee cumulatieve criteria voor de beoordeling van de gepastheid en de redelijkheid van een dergelijk intern vestigingsalternatief - 1° toegang tot basisvoorzieningen en 2° familiaal netwerk - niet op verzoekers situatie heeft toegepast. 2.3.
  5. In de mate dat verzoeker in dat verband aanklaagt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot het criterium inzake de toegang tot basisvoorzieningen niet heeft geantwoord op de in de aanvullende nota aangehaalde argumentatie inzake de verslechterde socio-economische omstandigheden, kan evenwel worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest hieromtrent eerst verwijst naar zijn eerdere analyse van de situatie in Kabul, die luidt: “Uit de landeninformatie (Landeninformatie, stuk 24, nrs. 9-11) blijkt dat Kabul over een internationale luchthaven beschikt, zodat kan worden aangenomen dat verzoeker zich op een veilige manier toegang kan verschaffen tot deze stad. Uit een grondige analyse van de veiligheidssituatie in de stad Kabul blijkt dat nationale en internationale veiligheidstroepen prominent aanwezig zijn in de stad. Voorts blijkt dat de regering, het Afghaanse Nationale Leger (ANA) en de Afghaanse Nationale Politie (ANP) de situatie in Kabul relatief goed onder controle hebben. De stad is, net zoals bijna alle provinciehoofdsteden stevig in handen van de overheid en relatief veilig. Het gros van het geweld dat er in de stad plaatsvindt, kan toegeschreven worden aan de AGE’s die in de stad actief zijn en er complexe aanslagen plegen. De terreuraanslagen die zij in de onderzochte periode pleegden, kaderen binnen het patroon dat zich de laatste jaren gevestigd heeft in de stad Kabul, met name complexe aanslagen die gericht zijn tegen ‘high profile’ doelwitten waarbij de internationale aanwezigheid en Afghaanse autoriteiten worden geviseerd. Hoewel de aard van het gebruikte geweld er voor zorgt dat er soms burgerslachtoffers vallen, is het duidelijk dat Afghaanse burgers geen doelwit zijn voor de opstandelingen in Kabul. Willekeurige aanslagen met veel burgerdoden maar zonder aanwijsbaar doelwit komen niet voor in de stad. Dit patroon houdt nog steeds stand, ook tijdens de sterke toename van het aantal aanslagen in Kabul in de maanden mei en augustus
  6. Sinds begin 2014 viseren AGE’s weliswaar uitdrukkelijker civiele doelwitten waar westerlingen samenkomen, doch blijft het aantal burgerslachtoffers beperkt. Daar het geweld voor het overgrote deel gericht is op overheidsgebouwen, gebouwen van de Afghaanse veiligheidsdiensten en plaatsen met een internationale diplomatieke, militaire, humanitaire, supranationale of andere XIV-38.033-3/7 internationale aanwezigheid, ligt het aantal burgerslachtoffers in Kabul bijzonder laag. De impact van de hierboven beschreven aanslagen is verder niet van dien aard dat het inwoners van de stad dwingt hun woonplaats te verlaten. Het geweld in de hoofdstad Kabul is niet aanhoudend en eerder gelokaliseerd van aard; de impact ervan op het leven van de gewone Afghaanse burger is eerder beperkt. Niettegenstaande er zich in de hoofdstad Kabul met enige regelmaat complexe aanslagen voordoen, kan er geen gewag gemaakt worden van een situatie van ‘open combat’ of van hevige en voortdurende of ononderbroken gevechten. Gelet op het voorgaande bestaat er voor burgers in de hoofdstad Kabul actueel geen reëel risico om het slachtoffer te worden van een ernstige bedreiging van hun leven of hun persoon als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict. Actueel is er voor burgers in de hoofdstad Kabul aldus geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, c), van de Vreemdelingenwet. Verzoekers betoog is niet van die aard dat het afbreuk kan doen aan de vaststellingen in de bestreden beslissing. Hij vraagt dat een transparante beoordeling wordt gemaakt, rekening houdend met onder andere de persoonlijke en algemene situatie van verzoeker, met de materiële en immateriële impact van het geweld, met het aantal burgerslachtoffers en de socio-economische impact. In het verzoekschrift citeert verzoeker uit het UNAMA-rapport van 2016, berichtgeving van Human Rights Watch van 31 mei 2017, 13 februari 2017 en 24 januari 2017, alsook een overzicht van ecoi.net over de periode januari 2017 tot juni
  7. Hij brengt echter geen informatie bij die de vaststellingen in de bestreden beslissing omtrent de veiligheidssituatie in Kabul kunnen weerleggen of in een ander daglicht stellen.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is aldus van oordeel dat de in het verzoekschrift tot nietigverklaring aangevoerde argumentatie inzake onder meer de socio-economische omstandigheden geen afbreuk doet aan de vaststellingen in de bestreden beslissing. Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in verband met de door verzoeker in zijn aanvullende nota aangehaalde argumentatie en documenten: “De gemaakte veiligheidsanalyse blijft geldig, als de huidige gebeurtenissen en ontwikkelingen in de lijn liggen van de aard en patronen van het geweld die in rekening worden genomen, wat het geval is. De nieuwe informatie van UNOCHA, IOM, Famine Early Warning Systems Network, Asylos, EASO en Cedoca, bevat geen substantiële veranderingen die aanleiding geven tot een andere beoordeling, rekening houdend met de meeste recente landeninformatie, aangevoerd in de aanvullende nota’s van de partijen.” Uit de overweging dat de nieuwe informatie van UNOCHA, IOM, Famine Early Warning Systems Network, Asylos, EASO en Cedoca geen substantiële veranderingen bevat die aanleiding geven tot een andere beoordeling, “rekening houdend met de meeste recente landeninformatie, aangevoerd in de aanvullende nota’s van de partijen”, kan worden afgeleid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker in zijn aanvullende nota aangehaalde argumentatie - en dus ook die in verband met de verslechterde socio-economische omstandigheden - wel degelijk bij zijn redenering heeft XIV-38.033-4/7 betrokken, maar van oordeel is dat deze niet noopt tot een andere beoordeling. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. 2.3.
  8. Verzoeker laat ook gelden dat met betrekking tot het tweede criterium voor de beoordeling van de gepastheid en de redelijkheid van het intern vestigingsalternatief - het familiaal netwerk - uit het bestreden arrest niet duidelijk kan worden afgeleid of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat verzoeker beschikt over een familiaal netwerk dat aan de UNHCR vereisten voldoet, dan wel of verzoeker valt onder de uitzondering op de vereiste van externe steun, namelijk voor alleenstaande mannen en gehuwde paren in de werkende leeftijdscategorie waarvan wordt aangenomen dat zij zonder ondersteuning van hun familie of hun gemeenschap kunnen leven in stedelijke en semi-stedelijke gebieden die onder de controle van de regering vallen en waar de nodige infrastructuur voor beschikbaar is om te kunnen voorzien in de elementaire levensbehoeften. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest evenwel: “Verzoeker kan niet gevolgd worden waar hij stelt dat zijn persoonlijke omstandigheden niet toelaten dat hij zich in Kabul kan vestigen. Immers kan worden aangenomen dat verzoeker, net als zijn broer beide landstalen spreekt, heeft gelogen over zijn opleidingsgraad (CGVS-gehoorverslag, stuk 5, p. 3). Verzoekers vader werkte en woonde volgens zijn verklaringen in Kabul. Bovendien blijkt uit verzoekers verklaringen bij aanvang van de procedure dat zijn vader nog steeds in Kabul verbleef (Dossier overgemaakt aan CGVS, stuk 26, Fiche MINTEH, DVZ-verklaring). Verzoekers broer S. is geboren en getogen in Kabul. Volgens zijn verklaringen woonde hij daar tot zijn tien jaar (Landeninformatie, stuk 24, nr. 8 (CGVS-gehoorverslag, p. 3)). Gezien zijn valse verklaringen over zijn leeftijd wordt niet uitgesloten dat hij daar niet langer woonde. Gelet op deze vaststellingen kan er geconcludeerd worden dat verzoeker een zekere affiniteit heeft met de stad Kabul. Er wordt ook opgemerkt dat verzoekers broer op Facebook meer dan vijftig vrienden uit Kabul heeft. Het gaat vaak over mensen die net als verzoeker afkomstig zijn uit Khost, die dan tegenwoordig in Kabul wonen. Het betreffen bovendien mensen met hoge functies zoals ingenieurs, mensen die bij de ministeries werken, bij Kabul Bank of Universiteit Kabul (Landeninformatie, stuk 24, nr. 3). Verzoeker gaf twee contactnummers van zijn vader door (CGVS-gehoorverslag, stuk 5, p. 8). Eén daarvan leidde tot het Facebookprofiel profiel van zijn jongste broer N. (Landeninformatie, stuk 24, nr. 4). Hij heeft een groot aantal gemeenschappelijke vrienden met verzoekers broer S. Bovendien duidde N. in 2016 al aan dat hij rechten studeerde in Kabul. Verzoekers bewering dat hij maar veertien jaar oud zou zijn en is dan ook niet aannemelijk gezien de valse verklaringen over verzoekers achtergrond (CGVS- gehoorverslag, stuk 5, p. 13). Dat N. zich opgaf als rechtenstudent in Kabul toont eveneens aan dat verzoeker valse verklaringen aflegt met betrekking tot de bezigheden van zijn familieleden, verzoeker verklaarde immers dat N. ook in Khost bij zijn XIV-38.033-5/7 moeder woonde. Verzoeker geeft dus bewust geen zicht op de situatie van zijn naaste familieleden. Er mag verder ook worden aangenomen dat verzoeker, die voldoende zelfstandig en initiatiefrijk genoeg is om samen met zijn broer S. naar Europa te reizen en zich daarna alleen in een vreemde gemeenschap te vestigen, bij terugkeer naar het land waarvan hij de nationaliteit bezit, in staat is om buiten zijn regio van herkomst in zijn levensonderhoud te voorzien. Er kan begrip worden getoond voor de minderjarigheid van verzoeker op het ogenblik dat hij werd ondervraagd bij het Commissariaat-generaal, op 11 juli 2017, maar de Raad stelt vast dat verzoeker op 31 december 2017 meerderjarig is geworden.” Uit de voormelde overwegingen kan worden afgeleid dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat het mogelijk is dat verzoeker toegang heeft tot een ondersteunend familiaal netwerk, maar dat in elk geval verzoekers persoonlijke situatie beantwoordt aan de uitzondering waarvoor geen dergelijk ondersteunend netwerk is vereist. Met verschillende argumenten tracht verzoeker in zijn verzoekschrift de juistheid van de voornoemde conclusie te betwisten. Hiermee nodigt hij de Raad van State uit de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden. Tevergeefs klaagt verzoeker ook nog aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voormelde conclusie niet met concrete elementen staaft. De jurisidictionele motiveringsplicht reikt immers niet zover dat de rechter ook de gronden voor zijn motieven in het bestreden arrest moet kenbaar maken. 2.
  9. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  10. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  11. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.033-6/7 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie juni tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.033-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.