id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 03 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.339 Rolnummer: A. 227968/XIV-38034 Zaak: Cassatiebeschikking 13339 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-17 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 22:50 Fiche Beschikking nr 13.339 van 3 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.339 van 3 juni 2019 in de zaak A. 227.968/XIV-38.034 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Vancraeynest kantoor houdend te 5530 Yvoir avenue de Fidevoye 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 23 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.604 van 21 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 3 mei 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Het enige middel is genomen uit de schending van het beginsel van familiale eenheid en het beginsel van afgeleide vluchteling, van artikel 23 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95/EU), en van artikel 8 van het Europees XIV-38.034-1/5 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM). Ten onrechte voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen in het bestreden arrest het beginsel van de familiale eenheid en het begrip “afgeleide vluchteling” heeft geschonden doordat het verzoek tot toekennen van internationale bescherming op grond van het beginsel van de eenheid van gezin wordt afgewezen omdat verzoeker niet dezelfde nationaliteit heeft als zijn echtgenote. De internationale beschermingsstatus op grond van het beginsel van de eenheid van gezin wordt immers niet toegekend indien dit onverenigbaar is met de persoonlijke juridische status van de betrokkene. Deze vereiste impliceert onder meer dat de betrokkene dezelfde nationaliteit heeft als de referentiepersoon. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dan ook terecht overwogen: “3.5.
- Zoals de commissaris-generaal beschrijft in de bestreden beslissing, dienen een aantal voorwaarden vervuld te zijn om in aanmerking te kunnen komen voor de verlening van internationale bescherming op grond van het beginsel van de ‘eenheid van het gezin’. De Raad verwijst in dit verband naar randnummers 181-188 van het ‘Handbook and Guidelines on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status’ van het UNHCR (Genève, heruitgave 2011) waarin wordt verduidelijkt dat de verlening van internationale bescherming aan gezinsleden op basis van het beginsel van de ‘eenheid van het gezin’ verenigbaar dient te zijn met de persoonlijke juridische situatie van het betrokken lid van het kerngezin. Deze verenigbaarheid houdt onder andere in dat het beginsel geen toepassing vindt als de gezinsleden een onderscheiden nationaliteit hebben. Het standpunt van verzoeker dat de gelijkaardige nationaliteit geen vereiste zou zijn bij de toepassing van dit beginsel, kan niet worden bijgetreden.” In de mate dat verzoeker aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in het kader van vorige beslissingen al toepassing maakte van het statuut van afgeleide vluchteling, ondanks het verschil van nationaliteit tussen de erkende vluchteling en de asielzoeker” gaat verzoeker eraan voorbij dat het Belgisch recht geen precedentenwerking kent en dat elk dossier individueel wordt beoordeeld. Een vermeende tegenstrijdigheid tussen twee arresten kan dan ook niet tot de cassatie van het thans bestreden arrest leiden. De door verzoeker aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM doordat hij in het geval van het niet-toekennen van de beschermingsstatus naar Irak zou moeten terugkeren en zo van de rest van zijn familie gescheiden zijn, is niet dienstig. Er wordt enkel uitspraak gedaan over het verzoek tot internationale bescherming, hetgeen het XIV-38.034-2/5 privé- en gezinsleven van verzoeker, zijn echtgenote en hun kinderen onverlet laat. Het niet- toekennen van de voormelde beschermingsstatus heeft niet automatisch tot gevolg dat verzoeker van de rest van zijn familie zou worden gescheiden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest hieromtrent terecht overwogen: “Zoals de commissaris-generaal terecht stelt in zijn bestreden beslissing kan ‘de schending van het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven zoals gewaarborgd door artikel 8 EVRM enkel dienstig (…) worden aangevoerd wanneer het gezinsleven daadwerkelijk geschonden dreigt te worden. Het is pas op het ogenblik dat aan u daadwerkelijk een bevel wordt afgeleverd, dat een onderzoek naar de mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM zich opdringt. Onderhavige beslissing houdt evenwel enkel in dat u de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Deze beslissing bevat geen verwijderingsmaatregel en heeft dan ook niet tot gevolg dat er op ongeoorloofde wijze wordt ingemengd in uw privé-leven of dat u feitelijk gescheiden wordt van uw partner.’ De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing enkel de beoordeling inhoudt van het verzoek om internationale bescherming, maar het privé- en gezinsleven van verzoeker met zijn in België verblijvende echtgenote en kinderen onverlet laat. De weigeringsbeslissing heeft, in weerwil van verzoekers bewering in zijn tweede middel, niet automatisch tot gevolg dat verzoeker van de rest van zijn familie gescheiden zou worden. Bijgevolg wordt de schending van artikel 8 van het EVRM niet dienstig aangevoerd.” In zoverre dat verzoeker artikel 23 van richtlijn 2011/95/EU geschonden acht - waarbij hij aanvoert dat de voornoemde bepaling de toepassing van het beginsel van familiale eenheid aan geen enkele toepassingsvoorwaarde onderwerpt en zeker niet aan de vereiste dat de persoon die beroep wenst te doen op de afgeleide vluchtelingenstatus ten laste van de erkende vluchteling is, dat hij voldoet aan de definitie van familieleden bedoeld in artikel 2, j) van richtlijn 2011/95/EU, dat zijn bloedverwantschap met zijn kinderen niet kan worden betwist en dat dit het enige criterium is dat in acht moet worden genomen - moet worden opgemerkt dat naar luid van artikel 23.2 van richtlijn 2011/95/EU de lidstaten waarborgen “dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet die zelf niet in aanmerking komen voor dergelijke bescherming aanspraak kunnen maken op de in de artikelen 24 tot en met 35 genoemde voordelen, overeenkomstig de nationale procedures en voor zover verenigbaar met de persoonlijke juridische status van het gezinslid”. Deze richtlijnbepaling houdt niet in dat verzoeker recht heeft op de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus omdat zijn echtgenote en kinderen die beschermingsstatus hebben verkregen, doch voorziet net de mogelijkheid van “nationale procedures”, waarnaar in het bestreden arrest wordt verwezen. Verzoeker toont niet aan dat de Belgische regelgeving dienaangaande, in het bijzonder XIV-38.034-3/5 inzake gezinshereniging, niet voldoet aan de voornoemde richtlijnbepaling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dienaangaande in het bestreden arrest terecht overwogen: “In weerwil van verzoekers beweringen houdt deze bepaling niet in dat de familieleden van een erkend vluchteling of van de persoon die subsidiaire bescherming heeft toegekend gekregen, automatisch recht zou hebben op dezelfde beschermingsstatus. Deze bepaling houdt enkel in dat de lidstaten er overeenkomstig de nationale procedures voor moeten zorgen dat het gezin in stand kan gehouden worden. De vaststelling dat er in hoofde van verzoekers echtgenote werd beslist tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus omwille van de toenmalige veiligheidssituatie in het Donetsbekken in Oekraïne heeft geen invloed op de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming in hoofde van verzoeker. Verzoeker heeft immers geen vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aannemelijk kunnen maken in functie van Irak, het land waarvan hij de nationaliteit bezit. De Raad wijst erop dat de vreemdelingenwet bepalingen bevat die de gezinshereniging regelen en de mogelijkheid voorziet om een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen om humanitaire redenen.” In de mate dat verzoeker aanvoert “[d]at het beginsel van behoorlijk bestuur met zich meebrengt dat het bestuur zorgvuldig inlichtingen moet inwinnen alvorens beslissingen te nemen [en] deze afdoend moet motiveren”, waarbij hij opmerkt dat “[d]e zorgvuldigheid die het bestuur moet tonen in de opzoeking en de beoordeling van de relevante feiten […] al lang door de Raad van State [werd] bekrachtigd”, wordt eraan herinnerd dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een administratief rechtscollege is dat jurisdictionele beslissingen uitspreekt waarop de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn. In zoverre dat verzoeker ten slotte aanvoert dat in het bestreden arrest wordt verwezen naar de punten 181 tot 188 van de proceduregids van de UNHCR, maar dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen deze bepalingen niet correct heeft toegepast - in het kader waarvan hij aanhaalt dat zijn echtgenote een statuut van internationale bescherming heeft verkregen, dat het kerngezin al bestond voor het indienen van de asielaanvraag, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als voorwaarde oplegt dat de echtgenoten dezelfde nationaliteit hebben terwijl de UNHCR-gids geenszins melding maakt van die vereiste, en dat hij aan de voorwaarden voldoet om het statuut van afgeleide vluchteling te verkrijgen - wordt opgemerkt de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties geen juridisch bindende kracht heeft in het Belgische recht en enkel geldt ten titel van aanbeveling. Het enige middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.034-4/5 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drie juni tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.034-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.339 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div