← België

Cassatiebeschikking 13340 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/06/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.340 Rolnummer: A. 227954/XIV-38031 Zaak: Cassatiebeschikking 13340 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-21 22:32 Fiche Beschikking nr 13.340 van 4 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.340 van 4 juni 2019 in de zaak A. 227.954/XIV-38.031 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.405 van 18 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 april 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het door verzoeker met toepassing van artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) ingestelde beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft devolutieve werking en tengevolge daarvan heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te dezen met hervormingsbevoegdheid uitspraak gedaan over verzoekers asielaanvraag, zonder gebonden te zijn door de motieven van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Hieruit volgt dat verzoeker, die ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd gehoord, XIV-38.031-1/4 bijgestaan door zijn raadsman, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen desgewenst nadere verklaringen kon afleggen ter staving van zijn voorgehouden geloofsverandering. Verzoekers stelling dat de aanvankelijk bestreden beslissing moest worden vernietigd en dat de zaak moest worden teruggestuurd naar de commissaris-generaal “om verzoeker de kans te geven verklaringen af te leggen” faalt derhalve naar recht. Het eerste onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  2. Verzoeker betwist als dusdanig niet de vaststelling in het bestreden arrest dat “wat betreft de amayeshkaart […] deze als naam van verzoekers vader niet de naam van verzoekers vader vermeldt, doch wel de naam zijn oom”. Wat dat betreft is in het bestreden arrest dus geen uitlegging gegeven aan het voornoemde stuk die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Verzoeker geeft als reden voor de vermelding van de naam van zijn oom het feit dat zijn vader is overleden, doch dit heeft betrekking op de bewijswaarde van het stuk, die soeverein wordt beoordeeld door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als feitenrechter. Zoals hoger aangehaald, is deze beoordeling niet in strijd met de inhoud van het stuk. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. Verzoeker heeft tegen de vaststelling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat “nergens uit uw dossier [blijkt] dat u uw tatoeages hebt laten aanbrengen vanuit een oprechte religieuze of politieke overtuiging” zodat “in alle redelijkheid van u [kan] worden verwacht dat u stappen onderneemt om de door u aangebrachte lichaamsversiering te bedekken met bijvoorbeeld kledij of een pleister, of zelfs al dan niet medisch, te laten verwijderen”, geen schending opgeworpen van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) noch van artikel 22 van de Grondwet. Verzoeker toont ook niet aan dat hij daartoe niet in de mogelijkheid was, zodat hij die voorgehouden schending niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie vermag op te werpen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen enkel uitspraak gedaan over de vraag of verzoeker op grond van artikel 48/3 van de wet van XIV-38.031-2/4 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) als vluchteling kan worden erkend en of hem op grond van artikel 48/4 van die wet de subsidiaire beschermingsstatus kan worden toegekend. Vermits met het bestreden arrest geen uitspraak wordt gedaan over een verwijderingsmaatregel, kan verzoeker te dezen geen schending van artikel 3 van het EVRM inroepen. De schending van artikel 13 van het EVRM kan niet op zichzelf worden ingeroepen, maar moet steeds samen met de schending van andere door het verdrag beschermde rechten en vrijheden worden opgeworpen. Het middel is ook in die mate kennelijk niet-ontvankelijk vermits naast de schending van de artikelen 3 en 8 van het EVRM geen schending van een andere verdragsbepaling of daardoor beschermd recht wordt opgeworpen. Verzoeker heeft in het verzoekschrift tot beroep aangevoerd dat zijn tatoeages “een uitdrukking van zijn gevoelens en emoties vormen” en dat het “bijgevolg niet [is] omdat een tatoeage niet politiek of religieus geïnspireerd is dat ipso facto kan besloten worden dat het redelijk is deze te bedekken of te laten verwijderen”. Net op grond van de vaststelling dat verzoeker slechts “vaagweg” verwijst naar zijn persoonlijkheid en levensinstelling, acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het niet onredelijk om van hem te verwachten dat hij zijn tatoeages bedekt of laat verwijderen, “temeer nu een aantal van zijn tatoeages een uiting betreffen van zijn geloof in God, waarvan hij thans voorhoudt te zijn afgestapt”. Er wordt met andere woorden getwijfeld aan de door verzoeker gegeven motieven voor zijn tatoeages. Het is niet in strijd met artikel 48/3 van de vreemdelingenwet om van een vreemdeling wiens voorgehouden overtuiging (als aanhanger of net als afvallige van een godsdienst) ongeloofwaardig wordt geacht, te verwachten dat hij tatoeages bedekt of bedekt houdt om problemen te vermijden. Dit geldt a fortiori voor de tatoeage die volgens het bestreden arrest als een uiting van zijn geloof in God kan worden beschouwd. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.031-3/4 BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vier juni tweeduizend negentien door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.031-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.340 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.