id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.354 Rolnummer: A. 228008/XIV-38041 Zaak: Cassatiebeschikking 13354 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-24 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-21 22:22 Fiche Beschikking nr 13.354 van 11 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.354 van 11 juni 2019 in de zaak A. 228.008/XIV-38.041 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.796 van 25 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 mei 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Wat de door verzoeker aangehaalde medische problemen en diens op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf betreft, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op “dat deze problemen gelet op het bepaalde in artikel 48/4, § 1 van de Vreemdelingenwet geen verband houden met criteria zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet inzake subsidiaire XIV-38.041-1/6 bescherming en dat hij zich voor wat betreft de beoordeling van deze medische elementen dient te richten tot de geëigende procedure”. Daarmee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan om welke reden hij de aangehaalde medische problemen niet betrekt in zijn beslissing om de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet toe te kennen, zodat voldaan is aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Verder voorziet artikel 48/4, § 1, van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk dat de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling “die geen beroep kan doen op artikel 9ter”. Er is in de Belgische regelgeving dus duidelijk voor geopteerd om aanvragen van vreemdelingen die beweren ernstig ziek te zijn niet te behandelen via de asielprocedure doch via een afzonderlijke procedure, voorzien in artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Vermits verzoeker zich zelf op een door hem op grond van deze laatste bepaling ingediende aanvraag beriep, hoefde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit niet te betrekken bij zijn beslissing om de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet toe te kennen. Het eerste onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- Om de supra aangehaalde redenen hoefde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aangehaalde medische redenen niet te betrekken bij zijn beoordeling van de mogelijkheid van een intern vestigingsalternatief overeenkomstig artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet. Het tweede onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- Zoals uit de behandeling van het eerste middel blijkt, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aangehaalde medische problemen buiten beschouwing te laten bij de behandeling van het verzoek om internationale bescherming op grond van de als dusdanig door verzoeker niet betwiste vaststelling dat verzoeker niet aannemelijk maakt “dat de eventuele medische problemen in zijnen hoofde vervolging zouden uitmaken of dat hij op basis hiervan vervolging zou riskeren” noch “dat dergelijke vervolging of een mogelijk gebrek aan adequate behandeling enig verband zou houden met één van de in artikel 1, A, 2) van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en artikel 48/3 XIV-38.041-2/6 van de Vreemdelingenwet bepaalde vervolgingsgronden”. De voorgehouden medische problemen maken wel het voorwerp uit van een aanvraag op grond van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Het tweede middel is kennelijk ongegrond.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen uitspraak met hervormingsbevoegdheid gedaan over het beroep van verzoeker tegen de aanvankelijk bestreden beslissing. Ingevolge de devolutieve werking van dat beroep, neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis van het geschil in zijn geheel, zonder daarbij gebonden te zijn door de motieven van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht derhalve zelf de door verzoeker voorgehouden nood aan internationale bescherming te onderzoeken. Hij is te dezen bij de beoordeling van de zaak uitgebreid ingegaan op de door verzoeker in concreto aangehaalde elementen om te besluiten dat verzoeker niet aantoont dat hij nood heeft aan of in aanmerking komt voor internationale bescherming, dat er derhalve geen reden is om de aanvankelijk bestreden beslissing te vernietigen en de zaak terug te sturen naar de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en dat bijgevolg de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd. Door aldus te handelen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeker geen daadwerkelijk rechtsmiddel ontzegd. Verzoeker gaat er overigens aan voorbij dat hij in het verzoekschrift tot beroep zelf een beoordeling ten gronde heeft gevraagd, met name om “in hoofdorde verzoeker als vluchteling te erkennen” en “in subsidiaire orde, de subsidiaire bescherming aan verzoeker toe te kennen”. Het derde middel is in zijn beide onderdelen kennelijk ongegrond.
- Vanaf punt 5.3 van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgebreid en concreet de elementen om te oordelen of verzoeker al dan niet aanspraak kan maken op internatonale bescherming. Hij besluit respectievelijk in de punten 5.9 en 5.10 dat verzoeker geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet en geen reëel risico op ernstige schade XIV-38.041-3/6 bij een terugkeer naar zijn land van herkomst in de zin van artikel 48/4, § 2, van die wet aannemelijk maakt. Op grond van dat concreet onderbouwde besluit is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 5.11 van het bestreden arrest van oordeel dat de toekenning van subsidiaire bescherming een aantal jaren voordien in Italië geen afbreuk doet aan het voorgaande, vermits niet blijkt op grond waarvan en in welke omstandigheden die bescherming aan verzoeker werd toegekend en verzoeker er ook geen gegevens over bijbrengt. Uit die overwegingen blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening houdt met het feit dat de subsidiaire beschermingsstatus in het verleden wel werd toegekend aan verzoeker in Italië. Het vierde middel is kennelijk ongegrond.
- Uit de behandeling van de vorige middelen blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht zelf uitspraak te doen over de eventuele nood aan internationale bescherming, getoetst aan de toestand in verzoekers land van herkomst. In het licht van die motieven, hoefde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen uitspraak te doen over het voorgehouden “reëel risico dat hij zou lopen in Italië op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM”, waarnaar verzoeker verwijst. Het eerste onderdeel van het vijfde middel is kennelijk ongegrond.
- Uit de behandeling van het tweede middel blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf mocht onderzoeken of verzoeker een reëel risico op ernstige schade in het land van herkomst in de zin van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet loopt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoefde daartoe niet in te gaan op de subsidiaire bescherming die verzoeker jaren voordien in Italië verleend zou zijn. Wat verzoekers medische problemen betreft, in het middel “zware mentale problemen” genoemd, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze verwijzen naar de door verzoeker ingediende aanvraag met toepassing van artikel 9ter van de vreemdelingenwet. Het tweede onderdeel van het vijfde middel is kennelijk ongegrond.
- Verzoeker laat gelden dat “het bestreden arrest […] als gevolg [heeft] dat verzoeker naar Afghanistan kan uitgewezen worden, terwijl hij mogelijk nog de subsidiaire beschermingsstatus heeft in Italië”. XIV-38.041-4/6 Het bestreden arrest bevat geen verwijderingsmaatregel zodat het “uitgewezen worden” naar Afghanistan niet aan de orde is. Met het bestreden arrest wordt geen afbreuk gedaan aan de subsidiaire beschermingsstatus in Italië, indien verzoeker deze nog zou hebben. Het derde onderdeel van het vijfde middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- Het “beginsel van wederzijds vertrouwen”, waarnaar verzoeker verwijst, houdt alleszins niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen jaren na een in Italië genomen beslissing niet zelf de nood aan subsidiaire bescherming ten aanzien van verzoekers land van herkomst zou mogen onderzoeken. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft voor zijn onderzoek geen aanvullende onderzoeksmaatregelen moeten bevelen om tot een hervorming van de aanvankelijk bestreden beslissing te kunnen komen. Het weze herhaald dat het bestreden arrest geen afbreuk doet aan de subsidiaire beschermingsstatus in Italië, indien verzoeker deze nog zou hebben. Het vierde onderdeel van het vijfde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.041-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf juni tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.041-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div