id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.356 Rolnummer: A. 228015/XIV-38043 Zaak: Cassatiebeschikking 13356 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-25 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-21 07:18 Fiche Beschikking nr 13.356 van 11 juni 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.356 van 11 juni 2019 in de zaak A. 228.015/XIV-38.043 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Vancraeynest kantoor houdend te 5530 Yvoir avenue de Fidevoye 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 29 april 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 218.800 van 25 maart 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 9 mei 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laten gelden dat hij als vluchteling moet worden erkend vermits “tegenpartij uitdrukkelijk toegeeft dat de vrees van de vader van verzoeker ten aanzien van Rusland, die zijn erkenning als vluchteling door België rechtvaardigt, ook voor verzoeker geldt, die dus voor dezelfde vrees voor vervolging ten aanzien van Rusland in aanmerking kan komen” en verder “dat verzoeker dus als vluchteling kan worden erkend om reden van zijn Russische nationaliteit en van zijn bloedverwantschap met zijn vader, die een erkende vluchteling is”. XIV-38.043-1/3 Daarmee heeft verzoeker aanspraak gemaakt op de erkenning als vluchteling maar heeft hij zich niet beroepen op de in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) bedoelde bescherming van het privé-, gezins- of familieleven. Verzoeker toont niet aan dat hij niet in de mogelijkheid was een schending op te werpen van artikel 8 van het EVRM en hij vermag die schending derhalve niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie op te werpen. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker houdt voor dat de ratio legis van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) “als doel heeft de status van afgeleide vluchteling aan de familieleden van een erkende vluchteling toe te kennen” en “dat dit wordt versterkt door artikel 23” van de voornoemde richtlijn. In het gedeeltelijk door verzoeker geciteerde arrest merkt het Hof van Justitie van de Europese Unie echter op “dat richtlijn 2011/95 niet voorziet in een dergelijke uitbreiding van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus tot de gezinsleden aan wie deze status is verleend” en dat “uit artikel 23 van deze richtlijn […] immers voort[vloeit] dat deze richtlijn ertoe beperkt blijft de lidstaten te verplichten hun nationale recht zodanig vorm te geven dat gezinsleden in de zin van artikel 2, onder j), van deze richtlijn, van degene die een dergelijke status geniet, indien zij niet individueel de voorwaarden voor verkrijging van de status vervullen, aanspraak kunnen maken op bepaalde voordelen, waaronder met name de afgifte van een verblijfstitel, toegang tot werkgelegenheid of toegang tot onderwijs, die ertoe strekken het gezin in stand te houden”. (HvJ 4 oktober 2018, nr. C-652/16, Ahmedkova, nr. 68) Anders dan verzoeker voorhoudt, blijkt uit dit arrest dat richtlijn 2011/95 net geen verplichting inhoudt om de hoger omschreven gezinsleden te erkennen als vluchteling of hen de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Dienaangaande oordeelt het Hof enkel dat artikel 3 van richtlijn 2011/95 de lidstaten “toelaat” te bepalen dat, indien internationale bescherming wordt verleend aan een gezinslid, het genot van deze bescherming wordt uitgebreid tot andere gezinsleden, mits zij niet onder een van de in artikel 12 van deze richtlijn genoemde XIV-38.043-2/3 uitsluitingsgronden vallen en hun situatie, wegens de behoefte om het gezin in stand te houden, een verband toont met de logica van de internationale bescherming. Verzoekers kritiek dat het om een (in het Belgische recht nog niet omgezette) verplichting tot erkenning of toekenning van internationale bescherming zou gaan, faalt dan ook naar recht. De motieven in het bestreden arrest dat “het doel van de asielprocedure niet is om het recht op eerbiediging van het gezinsleven te horen bevestigen”, dat “elk verzoek om internationale bescherming individueel wordt onderzocht”, dat “verzoekende partij zich niet zonder meer kan steunen op de erkenning als vluchteling van haar vader” en dat “verzoekende partij gebruik dient te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezinssituatie” zijn derhalve niet onwettig in het licht van het bovenstaande. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf juni tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.043-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.356 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div