id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.372 Rolnummer: A. 228149/IX-9547 Zaak: Cassatiebeschikking 13372 - Varia (onderwijs en cultuur) - 20/06/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-10 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-21 23:19 Fiche Beschikking nr 13.372 van 20 juni 2019 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING INZAKE DE TOELAATBAARHEID VAN EEN CASSATIEBEROEP nr. 13.372 van 20 juni 2019 in de zaak A. 228.149/IX-9547 In zake : Brecht ROOSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Van Reybrouck kantoor houdend te 8820 Torhout Boeiaardstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de ARTEVELDEHOGESCHOOL -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 mei 2019, strekt tot de nie- tigverklaring van arrest nr. 4897 van de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen van 26 april
- II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is onderworpen aan de procedure tot toela- ting, bedoeld bij artikel 20, § 2, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari 1973, en bij de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 „tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State‟. Het dossier van de zaak is door de griffie ontvangen op 6 juni
- IX-9547-1/4 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. De toelaatbaarheid
- Het beroep draagt het opschrift „verzoekschrift beroep tot nie- tigverklaring‟. Als tegenpartij wordt de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen aangewezen. Verzoeker geeft aldus reeds dadelijk aan dat het onderscheid tussen een annulatieberoep en een cassatieberoep hem ontgaat. Het zal, zoals hierna blijkt, zijn rechtsgang fataal doen mislukken. 4.
- In een eerste middel voert verzoeker de schending aan van de “motiveringsplicht”, omdat de eerste rechter “[v]olkomen ten onrechte” een be- paalde redenering heeft gevolgd. De argumenten van die rechter zijn, volgens verzoeker, onjuist en onvolledig, zeer vaag en algemeen. 4.
- Zelfs indien zou worden aangenomen dat verzoeker met het middel een schending aanvoert van de jurisdictionele motiveringsplicht, is het kennelijk onontvankelijk. De jurisdictionele motiveringsplicht heeft immers het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die redengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Bij de beoordeling of de jurisdictionele motiveringsplicht is nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van de jurisdictionele motiveringsplicht. IX-9547-2/4 De jurisdictionele motiveringsplicht houdt in dat het rechtscol- lege moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden doch worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. Een middel waar- in evenwel als motiveringstekort zo een gebrek aan antwoord op de aan de bo- demrechter voorgelegde argumentatie wordt opgeworpen, is onontvankelijk wan- neer het nalaat te vermelden op welk argument niet werd geantwoord. 5.
- Het tweede middel is geput uit de schending van “het redelijk- heids- en zorgvuldigheidsbeginsel”. Het derde middel is geput uit de schending van de hoorplicht. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van het vertrouwensbeginsel. Het vijfde middel ten slotte is geput uit de schending van de redelijketermijneis. 5.
- De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is geen orgaan van het actief bestuur, maar een administratief rechtscollege. Het bestreden arrest is geen administratieve rechtshandeling en op het rechtscollege zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing. Voor zover de aangevoerde middelen van het tegendeel uitgaan, falen ze kennelijk naar recht. 5.
- Als administratieve cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van het lagere rechtscollege over- doen maar mag hij enkel nagaan of de hem voorgelegde beslissing van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Voor zover verzoeker met de aangevoerde middelen de Raad van State uitnodigt om de beoordeling van de zaak over te doen, gaat hij uit van het tegendeel en falen die middelen eveneens kennelijk naar recht. IX-9547-3/4 5.
- De middelen zijn kennelijk onontvankelijk.
- Uit het onderzoek van het cassatieberoep blijkt dat het niet vol- doet aan de vereisten voor de toelaatbaarheid ervan, bepaald in artikel 20, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. B E S L I S S I N G:
- Het cassatieberoep is niet toelaatbaar.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Aldus te Brussel verleend, op 20 juni 2019, door: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9547-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.372 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.