id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.387 Rolnummer: A. 228213/XIV-38065 Zaak: Cassatiebeschikking 13387 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-15 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-21 22:12 Fiche Beschikking nr 13.387 van 2 juli 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.387 van 2 juli 2019 in de zaak A. 228.213/XIV-38.065 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter-Jan De Block kantoor houdend te 1060 Brussel Sint-Bernardusstraat 96-98 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 mei 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 220.854 van 7 mei 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 4 juni 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet XIV-38.065-1/3 de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
- Met betrekking tot de door verzoeker tijdens de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neergelegde nota en “originele versies van 19 juridische documenten” wordt in het bestreden arrest het volgende overwogen: “2.2.
- Inzake het verweer van verzoekende partij dat haar onvoldoende kansen geboden werden om originele documenten voor te leggen, wijst de Raad erop dat verzoekende partij een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend op 23 februari 2019 en een eerste persoonlijk onderhoud met het Commissariaat-generaal geannuleerd werd op 22 maart
- Verzoekende partij had dan ook ruimschoots de tijd om zich voor te bereiden op het persoonlijk onderhoud van 3 april
- Bovendien duidt de Raad erop dat verzoekende partij tijdens haar persoonlijk onderhoud op geen enkel moment ervan gewag maakte dat zij nog over (originele) stukken zou beschikken die een nieuw licht zouden kunnen werpen op haar zaak. Waar verzoekende partij ter terechtzitting plots de originele stukken neerlegt van ‘de juridische documenten die door het CGVS niet op authenticiteit te controleren waren’ daar zij hier eerder kopieën van had bijgebracht (aanvullende nota van 6 mei 2019, p. 2) wijst de Raad erop dat het louter bijbrengen van beweerde originele exemplaren geen afbreuk doet aan de navolgende terechte motivering van verwerende partij: ‘Daarnaast blijkt uit informatie ter beschikking van het CGVS (en waarvan een kopie werd toegevoegd aan uw administratieve dossier) dat er in uw land van herkomst een hoge graad van corruptie heerst en officiële documenten makkelijk kunnen worden aangekocht. Bijgevolg wordt de authenticiteit van deze documenten verder in vraag gesteld. Ten derde dient te worden opgemerkt dat documenten enkel enig bewijswaarde krijgen indien deze gepaard gaan met geloofwaardige verklaringen, wat in casu echter niet het geval is. Bijgevolg kunnen ook deze documenten niets wijzigen aan bovenstaande analyse.’. Op basis van voormelde motivering, die de Raad tot de zijne maakt, kan dan ook niet de minste bewijswaarde aan de ter terechtzitting neergelegde documenten worden toegekend.”
- Uit deze overwegingen blijkt dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen de door verzoeker op de terechtzitting neergelegde stukken daadwerkelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken. Eveneens blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen van oordeel is dat deze stukken niet van aard zijn om afbreuk te doen aan de beoordeling door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voldaan aan de jurisdictionele motiverings- plicht vervat in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. In de mate dat verzoeker nog aanvoert “[d]at [uit] de in het bestreden arrest gegeven motieven dan ook niet blijkt op welke wijze verzoeker in cassatie zou kunnen bewijzen te beschikken over argumenten, gegevens of tastbare stukken die een ander licht kunnen werpen op de beoordeling door de commissaris-generaal”, weze opgemerkt dat de XIV-38.065-2/3 motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen niet vereist dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dergelijke motieven in zijn arresten opneemt. Verzoeker toont aldus geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet. Het eerste en het tweede onderdeel van het enige middel zijn kennelijk ongegrond.
- Verzoeker betrekt de voorgehouden schending van het recht van verdediging uitsluitend op de motivering van het bestreden arrest. Enkel uit het feit dat verzoekers argumentatie niet naar behoren zou zijn beantwoord, kan geen schending van het recht van verdediging worden afgeleid, daargelaten de vaststelling dat verzoekers kritiek op die motivering ongegrond is bevonden. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee juli tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.065-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.387 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div