← België

Cassatiebeschikking 13388 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 02 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.388 Rolnummer: A. 228190/XIV-38062 Zaak: Cassatiebeschikking 13388 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 02/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-12 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 22:31 Fiche Beschikking nr 13.388 van 2 juli 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.388 van 2 juli 2019 in de zaak A. 228.190/XIV-38.062 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Hinnekens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Louis Pasteurlaan 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 mei 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 219.927 van 17 april 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 29 mei 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist XIV-38.062-1/12 zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. De bewijskracht van een akte is slechts miskend indien de uitlegging die de rechter eraan geeft volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. 2.1. In het eerste middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het rechterlijk gewijsde van zijn arrest nr. 202.601 van 17 april 2018 heeft miskend door in het bestreden arrest te overwegen hetgeen volgt: “Hoe dan ook, de Raad stelt vast dat verzoeker op 17 december 2014 door het Gentse Hof van Beroep werd veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een poging tot doodslag. Hieruit blijkt dat verzoekers gedrag niet te rijmen valt met de grondslagen en de doelstellingen van het vluchtelingencontentieux die aan de basis liggen van de bepalingen inzake de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Ten gevolge van deze veroordeling werd de op 29 augustus 2016 aan verzoeker verleende subsidiaire beschermingsstatus ingetrokken omdat hij een gevaar vormt voor de samenleving in de zin van artikel 55/4, § 2 van de Vreemdelingenwet.” Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn arrest nr. 202.601 van 17 april 2018 de beslissing tot weigering van inoverwegingname van verzoekers meervoudige asielaanvraag van 10 januari 2018 heeft vernietigd en daarbij heeft geoordeeld dat er een onderzoek diende te gebeuren naar een intern vestigingsalternatief. Volgens verzoeker kan zijn strafrechtelijke veroordeling dan ook niet in aanmerking genomen worden in de voorliggende zaak. In het thans bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onderzocht of verzoeker de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus moet worden toegekend, waarbij hij daadwerkelijk is nagegaan of verzoeker over een intern vestigingsalternatief beschikt. Hij komt tot het besluit dat “niet [kan] worden aangenomen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet” zodat hem de vluchtelingenstatus niet kan worden toegekend en dat “verzoeker in de stad Kabul over een veilig en redelijk intern vestigingsalternatief beschikt in de zin van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet” zodat verzoeker geen recht heeft XIV-38.062-2/12 op toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. Zoals hierna zal blijken, toont verzoeker niet aan dat er aan die conclusies van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onwettigheid kleeft. In die omstandigheden dient de door verzoeker bekritiseerde overweging waarin wordt verwezen naar zijn veroordeling door het Gentse Hof van Beroep, zich aan als een overtollig motief van het bestreden arrest. Zelfs indien verzoekers kritiek op het overtollig motief gegrond zou zijn, kan dit niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. 2.2. Verzoeker voert in het eerste middel ook nog de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 39/65 van de vreemdelingenwet en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, zonder evenwel te verduidelijken op welke wijze hij die bepalingen geschonden acht. In die mate is het eerste middel kennelijk niet-ontvankelijk. Voor zover verzoeker de voornoemde bepalingen geschonden zou achten doordat de door hem bekritiseerde overweging in strijd zou zijn met hetgeen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn arrest nr. 202.601 van 17 april 2018 heeft beslist, weze herhaald dat die overweging zich aandient als een overtollig motief van het bestreden arrest en dat kritiek op een overtollig motief niet tot cassatie van het bestreden arrest kan leiden. 2.3. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 3.1. In overweging 2.3.3. van het bestreden arrest onderzoekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het bestaan van een intern vestigingsalternatief in hoofde van verzoeker. Hij komt tot het besluit dat “verzoeker in de stad Kabul over een veilig en redelijk intern vestigingsalternatief beschikt in de zin van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen steunt zich voor deze conclusie op de ‘UNHCR Eligibility Guidelines’ van 19 april 2016 waaruit blijkt dat “een intern vluchtalternatief over het algemeen redelijk is wanneer er bescherming wordt geboden door familie, de gemeenschap of de clan of stam in de beoogde regio van vestiging” en dat “alleenstaande mannen en getrouwde koppels in bepaalde omstandigheden zonder ondersteuning van hun familie of hun gemeenschap kunnen leven in stedelijke of semi- stedelijke gebieden die onder de controle van de regering vallen en waar de nodige infrastructuur beschikbaar is om te kunnen voorzien in de elementaire levensbehoeften” alsook op de ‘EASO Guidance Nota’ waaruit blijkt dat “een intern vestigingsalternatief voor alleenstaande mannen en getrouwde koppels zonder kinderen over het algemeen redelijk [wordt] geacht” en dat “niettegenstaande een hervestiging gepaard kan gaan met een zekere XIV-38.062-3/12 hardheid, kan besloten worden dat verzoekers die tot deze categorieën behoren, in principe in staat zijn om er, zonder ondersteunend netwerk, in hun levensonderhoud te voorzien”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat “uit het geheel van de richtlijnen van UNHCR van 30 augustus 2018, alsook uit de informatie van EASO blijkt dat een intern vestigingsalternatief in de stad Kabul geenszins wordt uitgesloten voor iedere verzoeker” op voorwaarde dat “alle relevante algemene en persoonlijke omstandigheden betreffende de relevantie en de redelijkheid van Kabul als een vooropgestelde regio van hervestiging voor de concrete verzoeker zoveel als mogelijk worden vastgesteld en […] hiermee terdege rekening [wordt] gehouden.” Wat betreft de relevante algemene omstandigheden stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op basis van het rapport ‘EASO Country Guidance: Afghanistan. Guidance note and common analysis’ van juni 2018 vast dat “Kabul over een internationale luchthaven beschikt en dat de wegen van de luchthaven naar de stad Kabul overdag in het algemeen als veilig worden beschouwd, zodat kan worden aangenomen dat verzoeker zich op een veilige manier toegang kan verschaffen tot deze stad” en inzake de actuele veiligheidssituatie in de stad Kabul komt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen na onderzoek van diverse rapporten uit het rechtsplegingsdossier over de veiligheidssituatie in Kabul tot de vaststelling dat “afhankelijk van de omstandigheden van de individuele zaak een intern vestigingsalternatief in Kabul mogelijk is”. Wat betreft de relevante persoonlijke omstandigheden van verzoeker valt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst de conclusies dienaangaande van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij die luiden als volgt: “Rekening houdend met uw persoonlijke omstandigheden kan van u redelijkerwijs verwacht worden dat u zich in de stad Kabul vestigt. In casu blijkt dat u een 24-jarige jongeman bent die zowel Dari als Pashtou spreekt, de twee officiële landstalen van Afghanistan, en u tijdens uw verblijf in België ook de Engelse taal machtig bent geworden (CGVS 26/10/2018, p. 2). In Afghanistan hebt u een religieuze opleiding gekregen in een madrassa. U hebt er nooit officieel gewerkt, maar hielp mee om de dieren van uw familie te verzorgen (CGVS 26/10/2018, p. 5). In België hebt u een tijdje in een carwash gewerkt en in de gevangenis hebt u verschillende taken uitgevoerd, waaronder als inpakker (CGVS 26/10/2018, p. 5). Bovendien blijkt uit uw verklaringen dat u naar Afghaanse normen uit een zeer bemiddelde familie afstamt. Zo heeft uw vader in Baghlan 75 jerib grond geërfd. Deze oppervlakte bestaat uit een woning, een gastenhuis, een tuin en 73 jerib landbouwgrond. De geërfde landbouwgrond werd bewerkt door boeren die een deel van de oogst aan jullie afstaan. In het oogstseizoen betaalden jullie ongeveer 20 mensen om te werken op jullie velden. Daarnaast hadden jullie één à twee personen vast in dienst om voor jullie vee te zorgen (CGVS 26/10/2018, p. 4-5). Uw vader is inmiddels gestorven en volgens uw verklaringen bent u de enige erfgenaam van deze bezittingen (CGVS 26/10/2018, p. 7). Dat het bezit van 73 jerib landbouwgrond wijst op een zekere welstand, blijkt bovendien uit de informatie die aan het administratief dossier werd toegevoegd. Deze informatie toont immers aan dat 23 procent van alle XIV-38.062-4/12 grondbezitters in Baghlan in 2016 minder dan twee jerib in hun bezit hadden en dat u met 73 jerib landbouwgrond ver boven het nationale gemiddelde zit in termen van landeigendom. Zoals hierboven reeds werd vermeld beweert u dat de taliban deze bezittingen in beslag hebben genomen toen u in België in de gevangenis zat. De taliban hebben dit gedaan omdat u in het verleden tegen hen had getuigd na een aanslag (CGVS 26/10/2018, p. 5). Hiermee verwijst u evenwel naar de vluchtmotieven die u in het kader van uw eerste verzoek tot internationale bescherming uit de doeken hebt gedaan. Aangezien het CGVS geen geloof hechtte aan deze voorgehouden problemen met de taliban, kan er logischerwijze evenmin geloof gehecht worden aan uw verklaring dat de taliban enkele jaren na uw vertrek alle bezittingen van uw familie in beslag hebben genomen omwille van uw eerder ongeloofwaardig bevonden problemen met de taliban die aan de basis lagen van uw vertrek uit Afghanistan. Dat uw familie geenszins onbemiddeld is, blijkt verder uit uw verklaringen over de borgsom die uw familie voor uw vertrek uit Afghanistan betaalde om uw vader uit de gevangenis te halen. U geeft aan dat jullie toen ongeveer 75.000 dollar hebben betaald. Geld dat uw familie in eigen bezit had. U gaf zelf aan dat uw familie rijk was, maar dat dit nu niet langer het geval is (CGVS 26/10/2018, p. 7-8). Eerder gaf u al te kennen dat uw vader beroepsmatig ongeveer 130.000 afghani per jaar verdiende via verschillende contracten die hij binnenhaalde (CGVS 08/04/2013, p. 5; CGVS 26/10/2018, p.7). Verder blijkt dat u momenteel verloofd bent met de dochter van H.N.M., de broer van uw moeder, die eveneens financieel welstellend is. Zo gaf u eerder al aan dat N.M. een grootgrondbezitter is die 45 jerib landbouwgrond bezit. Hij werkt zelf niet op zijn velden, maar leeft van de oogst die hij krijgt van de landbouwers die op zijn grond werken (CGVS 25/08/2016, p. 3; CGVS 26/10/2018, p. 6-7). In 2016 nam hij uw moeder mee op pelgrimstocht naar Mekka in Saoedi-Arabië. Hij heeft twee vrouwen, maar slechts één dochter. Het enige kind van N.M. is daardoor met u verloofd (CGVS 26/10/2018, p. 6-7). Uw moeder woont bij hem in (CGVS 25/08/2016, p. 3). Men kan dus concluderen dat u naast enige professionele vaardigheden via uw familiaal netwerk over de nodige financiële ondersteuning beschikt om u in de stad Kabul te vestigen en er een nieuw bestaan op te bouwen. Gevraagd naar uw mogelijkheden om zich in uw land van herkomst te hervestigen stelde u dat dit niet mogelijk was omdat u geen netwerk heeft buiten uw regio van herkomst en uw veiligheid als lid van Hezbi Islami in Kabul niet verzekerd was (CGVS 26/10/2018, p. 8-9). Zoals eerder in deze beslissing werd aangetoond, heeft u echter geenszins aannemelijk gemaakt dat u omwille van de activiteiten van uw vader bij Hezb-i Islami zelf geviseerd zou worden door de taliban. Bijgevolg kan dit geenszins als een ernstige belemmering voor hervestiging binnen uw land van herkomst kunnen worden beschouwd.” Vervolgens overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog met betrekking tot de door verzoeker opgeworpen bezwaren: “Waar verzoeker aanvoert dat hij geen contact meer heeft met zijn familie, dient erop gewezen dat hoger reeds is komen vast te staan dat aan deze bewering geen geloof kan worden gehecht. Waar verzoeker stelt dat zijn familie niet in Kabul verblijft en hem als dusdanig geen ondersteuning kan bieden bij zijn hervestiging in de stad Kabul, dient erop gewezen dat verzoeker verklaarde dat zijn vader is overleden en dat hij zelf de enige erfgenaam was van diens nalatenschap (notities van het XIV-38.062-5/12 persoonlijk onderhoud 26 oktober 2018, p. 7). Er kan dan ook redelijkerwijze worden aangenomen dat verzoeker, die blijkens de beschikbare informatie (zie map ‘Landeninformatie’ in het administratief dossier) naar Afghaanse normen dient te worden beschouwd als een bemiddelde grootgrondbezitter, in staat is om ook vanuit Kabul zijn vermogen aan te wenden teneinde er zijn leven op te bouwen. Hetzelfde geldt voor wat betreft zijn (toekomstige) schoonvader, de broer van zijn moeder. Het enkele gegeven dat deze man niet in Kabul zou verblijven, verhindert immers op zich niet dat hij in staat kan worden geacht om verzoeker (minstens financieel) te ondersteunen bij diens hervestiging in Kabul, ook al verblijft hij zelf niet in Kabul. Gelet op het uitgebreid karakter van verzoekers financiële bronnen in Afghanistan (zowel van hemzelf als van zijn schoonvader) kan redelijkerwijze worden aangenomen dat hij ook zonder de fysieke aanwezigheid van een netwerk in Kabul een leven kan opbouwen in deze stad ingeval van terugkeer naar Afghanistan. Dit geldt des te meer daar, zoals in de bestreden beslissing terecht aangehaald, EASO een intern vestigingsalternatief voor alleenstaande mannen en getrouwde koppels zonder kinderen over het algemeen redelijk acht, ook zonder netwerk. Waar verzoeker wijst op de precaire humanitaire en socio-economische omstandigheden in Kabul, voert de commissaris-generaal in zijn nota met opmerkingen terecht aan als volgt: ‘Verweerder wijst er volledigheidshalve nog op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat humanitaire of socio-economische overwegingen in geval van terugkeer naar het land van herkomst niet noodzakelijk verband houden met de vraag of er een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bestaat. Het terugsturen van personen naar hun land van oorsprong waar ze als gevolg van de naoorlogse situatie moeilijkheden op socio-economisch vlak zullen ondervinden bereikt immers niet het niveau van hardheid dat door artikel 3 van het EVRM wordt vereist (EHRM 14 oktober 2003, nr. 17837/03, T./Verenigd Koninkrijk). Socio-economische overwegingen, zoals huisvestings- en tewerkstellingsperspectieven zijn bijgevolg slechts relevant in die uiterste gevallen waarbij de omstandigheden waarmee de terugkerende verzoeker om internationale bescherming zelf zal worden geconfronteerd met een mensonterende behandeling. In onderhavig rechtsplegingsdossier zijn geen elementen aanwezig die een dergelijke situatie in hoofde van de verzoekende partijen suggereren. Er wordt niet aangetoond dat verzoeker bij terugkeer naar Afghanistan zal worden geconfronteerd met een dusdanige ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk zal zijn om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Algemene informatie over de toestand waarin sommige teruggekeerde vluchtelingen en intern ontheemden (IDP’

  1. s)terechtkomen, of algemene informatie over de socio- economische situatie in Kabul stad kan op geen enkele wijze afbreuk doen aan deze vaststelling.’ Verzoeker laat in zijn verzoekschrift wel degelijk na in concreto aan te tonen dat hij in Kabul in dermate precaire humanitaire en/of socio-economische omstandigheden zou terechtkomen dat er sprake zou zijn van een situatie die een schending zou uitmaken van artikel 3 van het EVRM. Dit klemt des te meer gelet op verzoekers uitgebreide financiële mogelijkheden, zoals hiervoor uiteengezet. Waar verzoeker kritiek uit op de vaststellingen in de bestreden beslissing dat hij ook Engels spreekt en werkervaring opdeed in België en in Afghanistan, dient erop gewezen dat rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met diverse onderdelen van de motivering op zich; één onderdeel op zich kan misschien een beslissing niet dragen, maar kan in samenlezing met andere onderdelen voldoende draagkrachtig zijn. Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat vooral verzoekers financiële middelen hem in staat stellen om in Kabul een leven op te bouwen, doch het gegeven dat hij Engels spreekt en dat hij in België en in Afghanistan XIV-38.062-6/12 werkervaring opdeed kunnen alleszins geacht worden een bijkomende hulp te zijn bij een eventuele hervestiging in deze stad. Gezien het voorgaande, dient vastgesteld dat verzoeker er niet in slaagt op de hiervoor geciteerde motivering uit de bestreden beslissing een ander licht te werpen. Deze motivering vindt steun in het administratief dossier, is pertinent en correct en worden door de Raad overgenomen en tot de zijne gemaakt. Gelet op het voorgaande stelt de Raad vast dat verzoeker in de stad Kabul over een veilig en redelijk intern vestigingsalternatief beschikt in de zin van artikel 48/5, § 3 van de Vreemdelingenwet.” 3.2. Uit wat voorafgaat blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een eigen onderzoek heeft gevoerd naar het bestaan van een veilig en redelijk intern vestigingsalternatief op basis van de stukken van het rechtsplegingsdossier en dat hij daarbij ook verzoekers bezwaren tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft betrokken en die bezwaren punt voor punt heeft weerlegd. In tegenstelling tot wat verzoeker in het tweede middel aanvoert is van een omkering van de bewijslast - en dienvolgens een schending van artikel 48/5, § 3, van de vreemdelingenwet - in casu geen sprake. Evenmin werd met de vaststellingen inzake verzoekers financiële middelen en de mogelijkheid van steun van verzoekers familie van hem een negatief bewijs verwacht. 3.3. De beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen tot niet- toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker voldoet aan de in artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde juridictionele motiveringsplicht, nu duidelijk blijkt op grond van welke motieven de subsidiaire beschermingsstatus is geweigerd. 3.4. Tevergeefs voert verzoeker in het tweede middel aan dat niet wordt gemotiveerd “waarom zelfs het hebben van een intacte boerderij er zou moeten toe leiden dat hij zou vermogen te overleven in Kabul, te meer dat hij niet terug kan naar het gebied van herkomst, teneinde zich met de [exploitatie] bezig te houden”, dat “[n]ergens duidelijk [wordt] gemaakt hoe hij er in zou kunnen slagen om vanuit Kaboel enige inkomsten te kunnen genereren”, dat “[n]ergens wordt aangegeven waarom zijn oom in de huidige omstandigheden, waarbij verzoekende partij geruimere tijd in het Westen woont en dus niet langer in het land van herkomst, in de actuele toestand zou bereid zijn nog hulp te bieden of te kunnen bieden […] daar waar het eventueel hebben van een netwerk pas relevant zou kunnen zijn het moment dat het netwerk zich zou bevinden in de streek van het interne XIV-38.062-7/12 vluchtalternatief” en dat niet wordt gemotiveerd “[h]oe men zijn erfenis kan opnemen in een streek waarvoor men de subsidiaire bescherming heeft gekregen en trouwens in handen van de Taliban is”. De jurisidictionele motiveringsplicht reikt immers niet zover dat de rechter ook de gronden voor zijn motieven in het bestreden arrest moet kenbaar maken. 3.5. Voorts betwist verzoeker in het middel de vaststellingen uit het bestreden arrest dat in Kabul een intern vestigingsalternatief mogelijk is en dat hij kan rekenen op de steun van zijn familie, waarbij hij opmerkt dat het verzoek tot internationale bescherming in de huidige omstandigheden moet worden beoordeeld. Hij stelt ook dat er geen reële mogelijkheid tot hervestiging is nu zijn familie en het sociale netwerk zich elders bevinden en hij betwist ook de relevantie van zijn werkervaring die in aanmerking wordt genomen. Met deze argumenten tracht verzoeker de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te betwisten. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om in de beoordeling van de feiten te treden en de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. 3.6. Ten onrechte voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet heeft geantwoord op zijn argumenten “dat familiale ondersteuning dient te kunnen gebeuren vanuit de plaats van het interne vluchtalternatief en niet vanuit de streek van herkomst” en dat “verzoekende partij niet meer kan rekenen op steun van de familie”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft in het bestreden arrest daaromtrent immers overwogen: “Waar verzoeker aanvoert dat hij geen contact meer heeft met zijn familie, dient erop gewezen dat hoger reeds is komen vast te staan dat aan deze bewering geen geloof kan worden gehecht. Waar verzoeker stelt dat zijn familie niet in Kabul verblijft en hem als dusdanig geen ondersteuning kan bieden bij zijn hervestiging in de stad Kabul, dient erop gewezen dat verzoeker verklaarde dat zijn vader is overleden en dat hij zelf de enige erfgenaam was van diens nalatenschap (notities van het persoonlijk onderhoud 26 oktober 2018, p. 7). Er kan dan ook redelijkerwijze worden aangenomen dat verzoeker, die blijkens de beschikbare informatie (zie map ‘Landeninformatie’ in het administratief dossier) naar Afghaanse normen dient te worden beschouwd als een bemiddelde grootgrondbezitter, in staat is om ook vanuit Kabul zijn vermogen aan te wenden teneinde er zijn leven op te bouwen. Hetzelfde geldt voor wat betreft zijn (toekomstige) schoonvader, de broer van zijn moeder. Het enkele gegeven dat deze man niet in Kabul zou verblijven, verhindert immers op zich niet dat hij in staat kan worden geacht om verzoeker (minstens financieel) te XIV-38.062-8/12 ondersteunen bij diens hervestiging in Kabul, ook al verblijft hij zelf niet in Kabul. Gelet op het uitgebreid karakter van verzoekers financiële bronnen in Afghanistan (zowel van hemzelf als van zijn schoonvader) kan redelijkerwijze worden aangenomen dat hij ook zonder de fysieke aanwezigheid van een netwerk in Kabul een leven kan opbouwen in deze stad ingeval van terugkeer naar Afghanistan. Dit geldt des te meer daar, zoals in de bestreden beslissing terecht aangehaald, EASO een intern vestigingsalternatief voor alleenstaande mannen en getrouwde koppels zonder kinderen over het algemeen redelijk acht, ook zonder netwerk.” 3.7. Verzoeker voert ook nog aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “de inhoud en bewijskracht van de procedurestukken, beroepsakte en nota neerlegging stukken, neergelegd lopende de procedure” miskent door te overwegen “dat nergens wordt aangegeven waarom de verzoekende partij zou verwesterd zijn daar waar dit wel degelijk aangegeven werd” en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet op zijn argumentatie dienaangaande heeft geantwoord. Hij betwist ook de juistheid van de vaststellingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daaromtrent. In het bestreden arrest overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde vrees om bij terugkeer naar zijn land te worden geviseerd omdat hij wegens zijn lange verblijf in Europa als verwesterd zou worden beschouwd, hetgeen volgt: “Ook waar verzoeker aanvoert dat hij ingeval van terugkeer naar zijn land van herkomst dreigt te worden geviseerd omdat hij wegens zijn lange verblijf in Europa zou worden beschouwd als verwesterd, dient vastgesteld dat hij dienaangaande slechts verwijst naar louter algemene informatie die geen betrekking heeft op zijn persoon en dat hij aldus deze beweerde vrees voor vervolging niet in concreto aannemelijk maakt. Uit de beschikbare informatie blijkt immers niet dat iedere persoon die lange(
  2. re)tijd in Europa heeft verbleven ingeval van terugkeer naar Afghanistan wordt bedreigd doordat zij als verwesterd zouden worden beschouwd. Een beoordeling in concreto is dan ook noodzakelijk, doch verzoeker blijft hier geheel in gebreke. Dit klemt des te meer daar verzoeker nooit eerder doorheen zijn verschillende verzoeken om internationale bescherming melding maakte van deze vrees, hoewel hij reeds sinds 25 juli 2012 in België verblijft en hij intussen reeds vier verzoeken om internationale bescherming indiende en hij bovendien op 26 oktober 2018 nog werd gehoord op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen doch ook tijdens dit onderhoud geen enkele melding maakte van deze vrees. Het voor het eerst opwerpen van deze vrees in onderhavig verzoekschrift, is dan ook laattijdig, hetgeen afbreuk doet aan de ernst en de geloofwaardigheid ervan.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus verzoekers argumentatie omtrent de vrees te worden geviseerd omdat hij beschouwd zou worden als verwesterd uitdrukkelijk bij zijn redenering te hebben betrokken, maar die argumentatie te XIV-38.062-9/12 hebben verworpen omdat verzoeker louter verwijst naar algemene informatie die geen betrekking heeft op zijn persoon en de beweerde vrees voor vervolging niet in concreto aannemelijk maakt en voorts ook omdat deze vrees laattijdig is opgeworpen, hetgeen afbreuk doet aan de ernst en de geloofwaardigheid ervan. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. Noch de vaststelling dat verzoeker louter verwijst naar algemene informatie en hij de beweerde vrees te worden geviseerd omdat hij als verwesterd zou worden beschouwd niet in concreto aannemelijk maakt, noch de vaststelling dat deze vrees thans voor het eerst is opgeworpen, is in strijd met de inhoud van de door verzoeker ingediende stukken. Van een schending van de bewijskracht van die stukken kan derhalve geen sprake zijn. Waar verzoeker ten slotte de juistheid betwist van deze vaststellingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, weze herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de feiten te treden en de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. 3.8. Ten onrechte voert verzoeker aan dat “[h]et feit dat buitenlandse rechtspraak […] geen precedentenwaarde zou hebben of dat bepaald stukkenmateriaal ook al betreft het materiaal met een zekere reputatie […] een andere beoordeling kan krijgen […] niet weg [neemt] dat men inhoudelijk dient te motiveren waarom men hetgeen erin wordt naar voor geschoven niet kan volgen.” Verzoeker viseert hiermee de volgende overweging uit het bestreden arrest: “Waar verzoeker erop wijst dat de Franse Cour nationale du droit d’asile op 8 maart 2018 een Afghaanse vluchteling de subsidiaire beschermingsstatus heeft toegekend omwille van de veiligheidssituatie in Kabul op basis van hetzelfde rapport van EASO als waarop de commissaris-generaal zich baseert (rechtsplegingsdossier, stuk 8), merkt de Raad bovendien op dat het feit dat buurlanden en/of andere landen in Europa op basis van bepaalde informatie soms tot andere visies komen en verschillende gevolgtrekkingen nemen omtrent de veiligheidssituatie in welbepaalde landen of regio’s van herkomst in het licht van artikel 48/4, §2,
  3. c)van de Vreemdelingenwet - wat ook binnen een zelfde land kan gebeuren/gebeurt daar waar er bijvoorbeeld meerdere en verschillende instanties bevoegd zijn voor en zich over de verzoeken om internationale bescherming buigen -, is, gelet bovendien op het individuele onderzoek en de individuele beoordeling van elk verzoek om internationale bescherming, geenszins abnormaal of vreemd. De Raad wijst er overigens ook op dat tot op heden rechterlijke beslissingen in de continentale rechtstraditie geen precedentwaarde hebben (RvS 18 december 2008, beschikking nr. 3679).” XIV-38.062-10/12 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus de stukken waarnaar verzoeker verwijst bij zijn redenering te hebben betrokken, maar de inhoud ervan niet bij te vallen waarbij hij motiveert dat een andere beoordeling van die stukken gelet op het individuele onderzoek en de individuele beoordeling van elk verzoek om internationale bescherming, geenszins abnormaal of vreemd is en dat rechterlijke beslissingen in de continentale rechtstraditie geen precedentenwaarde hebben. Met deze overweging is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht nu duidelijk blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen meent die stukken niet te kunnen bijvallen. Hij dient daarbij in zijn arrest niet nog eens bijkomend te motiveren waarom hij “hetgeen erin wordt naar voor geschoven niet kan volgen”. De jurisdictionele motiveringsplicht reikt immers niet zover dat de rechter ook de gronden voor zijn motieven in het bestreden arrest moet opnemen. 3.9. Ten slotte voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de bewijskracht van de beroepsakte schendt “nu voorgehouden wordt dat er geen concrete schending van artikel 3 wordt aangevoerd nu uit de algemene toestand in Kaboel een schending afgeleid wordt van artikel 3 van het E.V.R.M. nu elementen worden aangevoerd die voor eenieder gelden”. Volgens verzoeker “geldt [hetgeen] voor allen geldt voor elk individu die zou moeten gaan leven in Kaboel” en kan “[i]n die zin het arrest niet gemotiveerd zijn.” Verzoeker bekritiseert hiermee de volgende overweging uit het bestreden arrest: “Verzoeker laat in zijn verzoekschrift wel degelijk na in concreto aan te tonen dat hij in Kabul in dermate precaire humanitaire en/of socio-economische omstandigheden zou terechtkomen dat er sprake zou zijn van een situatie die een schending zou uitmaken van artikel 3 van het EVRM. Dit klemt des te meer gelet op verzoekers uitgebreide financiële mogelijkheden, zoals hiervoor uiteengezet.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt aldus verzoekers argumentatie omtrent een schending van artikel 3 van het EVRM niet bij te vallen omdat hij nalaat in concreto aan te tonen dat hij in Kabul in dermate precaire humanitaire en/of socio- economische omstandigheden zou terechtkomen dat er sprake zou zijn van een situatie die een schending zou uitmaken van artikel 3 van het EVRM. Met deze overweging is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht, nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk maakt waarom hij meent verzoekers argumentatie dienaangaande niet te kunnen bijvallen. Verzoeker blijkt in zijn beroepsschrift inderdaad louter algemene gegevens aan te XIV-38.062-11/12 voeren waaruit een schending van artikel 3 van het EVRM zou moeten blijken, zonder dat hij dit in concreto voor hem persoonlijk aannemelijk maakt. Van een schending van de bewijskracht van het beroepsschrift is derhalve evenmin sprake. In de mate verzoeker aanvoert dat “hetgeen geldt voor allen geldt voor elk individu die zou moeten gaan leven in Kaboel”, betwist hij de juistheid van de voormelde vaststelling en nodigt hij de Raad van State uit een ander oordeel te vellen. Zoals reeds gezegd is de Raad van State als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen. 3.10. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twee juli tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.062-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.388 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.