id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.408 Rolnummer: A. 228309/XIV-38074 Zaak: Cassatiebeschikking 13408 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-15 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-21 23:08 Fiche Beschikking nr 13.408 van 9 juli 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.408 van 9 juli 2019 in de zaak A. 228.309/XIV-38.074 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 juni 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 220.863 van 7 mei 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 juni 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift tot beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen specifiek gewezen op de “algemene situatie in Ethiopië voor de Oromo-gemeenschap”, waartoe hij verklaarde te behoren. Hij heeft daartoe onder meer verwezen naar en geciteerd uit zijn stuk 10, het verslag “COI Focus - Political situation and treatment of opposition” van de Danish Immigration Service van 10 oktober
- Opnieuw verwijzend naar en citerend uit dat stuk en uit zijn stuk 11, een brief van de voorzitter van de XIV-38.074-1/4 Belgische Oromo Gemeenschap van 31 december 2018, heeft hij op grond van zijn “politieke activisme in België” een vrees voor vervolging in Ethiopië ingeroepen. Verzoeker gaat eraan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vanaf punt 2.5.6 van het bestreden arrest uitgebreid uiteenzet waarom hij geen gegronde vrees kan koesteren voor vervolging bij een terugkeer naar Ethiopië, met name omdat verzoeker “geen enkel begin van bewijs neerlegt van zijn beweerde activiteiten als student in 2000 of van zijn betrokkenheid bij ‘gummi afaan oromoo’ in 2008 en bij een ‘querroo’-groep aan de universiteit”, omdat hij “niet aan[toont] ooit geëngageerd geweest te zijn” en “zijn verklaringen hierover […] op alle punten zwaar ondermaats [zijn], zeker voor een vorser/lesgever aan de universiteit”, omdat “uit verzoekers overige verklaringen […] geenszins [blijkt] dat hij omwille van voornoemde - beweerde maar niet aangetoonde - activiteiten in de negatieve aandacht stond van de Ethiopische autoriteiten”, omdat verzoeker “ook na 2014 probleemloos het land in- en uitreisde en hij zelfs tot december 2016 als doctorandus verbonden was aan de universiteit van Jimma” en omdat verzoeker “zelf uitdrukkelijk [verklaarde] dat hij bij zijn laatste vertrek uit Ethiopië, in mei 2016, ‘geen problemen’ had”. Met verwijzing naar verzoekers stuk 10 merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op dat de in 2016 aangekondigde noodtoestand in augustus 2017 werd opgeheven, dat de daaropvolgende en in februari 2018 reeds in juni 2018 werd opgeheven, maanden eerder dan verwacht, en dat verzoekers informatie “tevens melding [maakt] van de verbeterde situatie voor studentenactivisten, alsook van de terugkeer van Ethiopiërs die naar het buitenland gevlucht waren”, doch verzoeker “hoe dan ook niet [behoort] tot een van deze categorieën”. Geen van deze vaststellingen is gesteund op informatie die niet in het debat was betrokken. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen maakt verzoeker evenmin problemen aannemelijk met de Ethiopische autoriteiten omwille van zijn Oromo- activiteiten bij ORO-België. Omwille van de supra geciteerde vaststellingen wordt het niet aannemelijk geacht dat verzoeker vóór zijn komst naar België in de negatieve specifieke aandacht van de Ethiopische autoriteiten stond wegens zijn politieke activiteiten, waardoor er redelijkerwijs vanuit wordt gegaan dat die autoriteiten verzoekers handelingen niet op de voet hebben gevolgd en dus niet op de hoogte zijn van zijn acties in en vanuit België. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “geeft verzoeker nergens blijk van overtuigende politieke opvattingen, laat staan van doorgedreven politiek engagement” en zijn verzoekers verklaringen dat hij op een lijst zou staan en dat zijn broer in 2017 XIV-38.074-2/4 problemen zou hebben gekend omwille van verzoekers politieke activiteiten, “opnieuw louter losse beweringen”. In punt 2.5.21 van het bestreden arrest wordt met verwijzing naar verzoekers stuk 10 uiteengezet dat de Ethiopische autoriteiten “zelf wel degelijk een onderscheid maken tussen de activiteiten van opposanten in het buitenland, met name ‘hatred and violence’, enerzijds, wat opgemerkt zal worden, en ‘political rhetoric’, anderzijds, dat niet zal leiden tot problemen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is duidelijk van oordeel dat verzoeker (hoogstens) in de laatste categorie valt. Na het voorgaande is de overweging in punt 2.5.21 van het bestreden arrest dat “hoe dan ook […] uit het bij het verzoekschrift gevoegde [stuk 10] [blijkt] dat de situatie voor de Ethiopische diaspora aanzienlijk verbeterd is sinds het aantreden van de nieuwe premier in april 2018” een overtollig motief, zodat een eventuele onwettigheid ervan de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. Bovendien is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er op grond van de door verzoeker aangehaalde bepalingen en beginselen niet toe gehouden zijn voorgenomen motieven voor de beoordeling van verzoekers stukken vooraf kenbaar te maken aan verzoeker. Na de beoordeling in het bestreden arrest dat “niet [kan] worden ingezien wat een persoon met een laag politiek profiel als verzoeker kan vrezen bij een terugkeer”, is de toevoeging “laat staan sinds de ingrijpende politieke veranderingen in Ethiopië” eveneens een overtollig motief waarvan een eventuele onwettigheid de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. Verzoeker geeft geen andere overwegingen aan die hij onwettig beschouwt dan de voornoemde in punt 2.5.21 passus betreffende de gewijzigde politieke toestand. Ten overvloede blijkt dat in punt 108 van het door verzoeker zelf bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overgelegde stuk 10 wel degelijk wordt vermeld dat de nieuwe eerste minister van Ethiopië van Oromo- en Amhara-afkomst is met een moslimvader en een christelijke moeder, zodat het niet gaat om door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op eigen initiatief vergaarde kennis. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.074-3/4
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen juli tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.074-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.408 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div