← België

Cassatiebeschikking 13409 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.409 Rolnummer: A. 228313/XIV-38075 Zaak: Cassatiebeschikking 13409 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 22:11 Fiche Beschikking nr 13.409 van 9 juli 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.409 van 9 juli 2019 in de zaak A. 228.313/XIV-38.075 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Julien Hardy kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 5 juni 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 220.864 van 7 mei 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 juni 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Wat de voorgehouden schending betreft van artikel 48/7 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht, gaat verzoekster ervan uit dat “de beslissing van het CGVS en het bestreden arrest […] de door verzoekster geleden en gevreesde vervolgingen niet in twijfel XIV-38.075-1/4 [trekken] maar [zich] beperken […] tot het betwisten van haar politieke profiel en activiteiten”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt op concreet onderbouwde wijze dat “verzoeksters beschrijving van haar bijdrage aan de organisatie van betogingen, waar blijkbaar 300 mensen aan deelnamen, […] dermate ondermaats [is] dat er geen geloof aan kan worden gehecht”. Wat verzoeksters andere voorgehouden activiteiten betreft, gaat het volgens het bestreden arrest om “uiterst vage beschrijvingen van wat op filmmateriaal kan worden gezien over betogingen”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan uit verzoeksters verklaringen “niet in het minst blijken dat verzoekster voorafgaand aan de betogingen behoorde tot een groep geëngageerde studenten of hoe werd afgesproken bij problemen of minimale concrete organisatorische afspraken”, komt verzoekster” duidelijk niet verder dan louter theoretische algemeenheden waaruit niet kan blijken dat ze een betoging met voordrachten die voor haar een bijzondere betekenis hadden, volgde” en kan “nog minder […] een (bijzonder) engagement blijken, laat staan dat zij middels haar verklaringen aannemelijk maakt [dat] zij als leidersfiguur zelf betogingen met honderden deelnemers organiseerde en de massa geëngageerde studenten toesprak via een megafoon”. Het wordt nog kwalijker geacht “dat verzoekster onwetend bleek over de problemen die de medeorganisatoren van de betogingen zouden hebben gekend naar aanleiding van de betoging van 9 december 2015 op de campus van de universiteit van Jimma” vermits “verzoekster verklaarde dat zij toen zelf gearresteerd werd en 15 dagen lang vastgehouden en mishandeld werd, maar zij bleek nooit te hebben gevraagd of haar vier medeorganisatoren ook dergelijke of andere problemen hadden meegemaakt”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan daaruit enkel afleiden “dat verzoekster niet behoorde tot een kerngroep geëngageerde medestudenten waar een minimale empathie, zij het om politieke redenen, kan verwacht worden”. Vervolgens aanvaardt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook niet verzoeksters uitleg voor haar houding na de voorgehouden arrestatie en mishandeling. Waar verzoekster voorhield dat de medeorganisatoren haar na haar vrijlating kwamen opzoeken en haar vroegen naar haar welzijn, dat verzoekster en die medeorganisatoren samen in de klas zaten en elkaar daarna nog regelmatig zagen en spraken, acht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het volstrekt onaannemelijk “dat de medeorganisatoren wel de tijd vonden om verzoekster te bevragen over haar welzijn, maar dat zij naliet zich zelfs maar te informeren over wat er met hen en hun plannen gebeurde na de betoging van 9 december 2015”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen besluit dat verzoekers relaas “geheel verzonnen” voorkomt. XIV-38.075-2/4 Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters relaas over haar voorgehouden engagement, activiteiten en aanhouding in december 2015 op omstandig gemotiveerde wijze als volstrekt ongeloofwaardig beschouwt. Verzoeksters kritiek die ervan uitgaat dat haar voorgehouden vervolgingen niet in twijfel worden getrokken, gaat uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  2. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift tot beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen specifiek gewezen op de “algemene situatie in Ethiopië voor de Oromo-gemeenschap”, waartoe zij verklaarde te behoren. Zij heeft daartoe onder meer verwezen naar en geciteerd uit het door haar als stuk overgelegde verslag “COI Focus - Political situation and treatment of opposition” van de Danish Immigration Service van 10 oktober
  3. Opnieuw verwijzend naar en citerend uit dat stuk en uit een brief van de voorzitter van de Belgische Oromo Gemeenschap, heeft zij op grond van haar “politieke activisme in België” een vrees voor vervolging in Ethiopië ingeroepen. De overweging in punt 2.5.3 van het bestreden arrest dat het verslag “COI Focus - Political situation and treatment of opposition” van de Danish Immigration Service van 10 oktober 2018 “uitdrukkelijk aan[geeft] dat de nieuwe premier, Abiy Ahmed, zelf Oromo is en dat de situatie ook voor ‘dissenting voices’, waaronder het OFL, en de diaspora sinds zijn benoeming verbeterd is”, is een beoordeling van informatie die door verzoekster zelf werd overgelegd en ingeroepen. Ook de gelijkaardige overweging in punt 2.5.20 van het bestreden arrest dat “enkel het bij het verzoekschrift gevoegde landenrapport ‘Danish Immigration Service, COI Focus - Political situation and treatment of opposition, 10.10.2018’ […] het huidige politieke landschap [betreft] en […] uitdrukkelijk aan[geeft] dat sinds de nieuwe premier, Abiy Ahmed, die zowel een Christelijke als moslim achtergrond heeft en eerste Oromo sprekende premier van het land is, de situatie ook voor ‘dissenting voices’, waaronder het OFL, en de diaspora sinds zijn benoeming verbeterd is en velen terugkeren naar het land”, is een beoordeling van informatie die door verzoekster zelf werd overgelegd en ingeroepen. Het gaat derhalve geenszins “om nieuwe elementen die door de RvV zelfs worden gebracht”, zoals verzoekster in het middel voorhoudt. Geen van de door verzoekster aangehaalde bepalingen of beginselen legt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op zijn voorgenomen motieven voor de beoordeling daarvan XIV-38.075-3/4 vooraf kenbaar te maken aan verzoekster. Hoe dan ook komen de vaststellingen van de gewijzigde politieke toestand in Ethiopië slechts na de niet onwettig bevonden vaststelling dat verzoeksters asielrelaas ongeloofwaardig is bevonden en zij op grond daarvan alvast geen vrees hoeft te koesteren bij een terugkeer naar het land van herkomst. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen juli tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.075-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.409 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.