← België

Cassatiebeschikking 13410 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 09 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.410 Rolnummer: A. 228349/XIV-38078 Zaak: Cassatiebeschikking 13410 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-15 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 22:05 Fiche Beschikking nr 13.410 van 9 juli 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.410 van 9 juli 2019 in de zaak A. 228.349/XIV-38.078 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ali Acer kantoor houdend te 2060 Antwerpen Brugstraat 5 bus 18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 juni 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 220.712 van 3 mei 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 18 juni 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De materiëlemotiveringsplicht is niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoeker kan derhalve niet dienstig opwerpen dat “het bestreden arrest niet door feitelijke en juridische motieven correct wordt gedragen”. Verzoeker vermeldt enkel in het opschrift van het middel artikel 9 van het verdrag inzake de Rechten van het Kind, ondertekend te New-York op 20 november 1989, doch komt in de uiteenzetting van het middel nergens terug op deze verdragsbepaling. XIV-38.078-1/3 Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. In de uiteenzetting van het enige middel acht verzoeker ook artikel 74/11, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) geschonden omdat met de aanvankelijk bestreden beslissing “een inreisverbod wordt opgelegd voor de termijn van acht jaar zonder enig verfijnd onderzoek naar en motivering omtrent de specifieke omstandigheden van verzoeker en de duur van het inreisverbod” terwijl deze bepaling “wel degelijk een specifieke motivering vereist om een langere termijn [d]an 5 jaar op te leggen”. In punt 2.
  3. van het bestreden arrest stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op omstandig gemotiveerde wijze vast dat de aanvankelijk bestreden beslissing ook is gemotiveerd wat de duur van het inreisverbod betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst naar de motivering betreffende de verschillende misdrijven waaraan verzoeker zich heeft schuldig gemaakt en waarvoor hij werd veroordeeld en haalt aan dat er volgens de aanvankelijk bestreden beslissing “geen gezondheidsproblematiek blijkt en dat verder niet blijkt dat verzoekende partij in België afhankelijk is van haar meerderjarige verwanten en verder dat haar minderjarige dochter niet bij haar woont en ook niet op bezoek komt in de gevangenis zodat er geen sprake is van een gezin dat uit elkaar wordt gerukt”. Hij verwijst ook naar het motief dat niets de dochter verhindert, vergezeld door familie, verzoeker te bezoeken in het land van herkomst of contact te onderhouden via diverse communicatiemiddelen”. Met de kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou hebben aangegeven hoe verzoeker contact met zijn dochter zou kunnen houden behalve via “moderne communicatiemiddelen” en dat zulks niet volstaat in het licht van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), gaat verzoeker voorbij aan de voornoemde verwijzing in het bestreden arrest naar de motivering dat verzoekers dochter niet bij hem woont in België, niet bij hem op bezoek komt in de gevangenis en eventueel met familieleden verzoeker nog zou kunnen bezoeken in het land van herkomst. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zelf het afdoende karakter van de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing te beoordelen in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. XIV-38.078-2/3 Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negen juli tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.078-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.