id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.413 Rolnummer: A. 228451/XIV-38089 Zaak: Cassatiebeschikking 13413 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-22 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 22:27 Fiche Beschikking nr 13.413 van 11 juli 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.413 van 11 juli 2019 in de zaak A. 228.451/XIV-38.089 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Valérie Henrion kantoor houdend te 1348 Louvain-la-Neuve place de l’Université 16/4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 221.540 van 21 mei 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 juli 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 3 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), van artikel 4 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en XIV-38.089-1/4 voor de inhoud van de verleende bescherming’, van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 39/57, 57/6/1 en 65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ doch zonder uiteen te zetten op welke wijze deze bepalingen met het bestreden arrest zouden zijn geschonden. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds herhaaldelijk en ondubbelzinnig heeft gesteld, vallen geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6 van het EVRM. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
- In een eerste middelonderdeel werpt verzoeker specifiek de schending op van de artikelen 9 en 16 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 ‘Voogdij over niet- begeleide minderjarige vreemdelingen’ van de programmawet (I) van 24 december 2002 en van de artikelen 1/1, 9, 16 en 17 van het koninklijk besluit van 22 december 2003 ‘tot uitvoering van Titel XIII, Hoofdstuk 6 “Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen” van de programmawet (I) van 24 december 2002’. Hij heeft de schending van deze bepalingen niet opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoewel hij daartoe in de gelegenheid was. Derhalve kan verzoeker niet op ontvankelijke wijze de schending van de voornoemde bepalingen voor het eerst opwerpen bij de Raad van State in de graad van administratieve cassatie. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin de schending opgeworpen van de artikelen 15, 16 en 17 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming’ of van de artikelen 15, 16 en 17 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis XIV-38.089-2/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’. Verzoeker heeft ook de schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van het recht van verdediging niet opgeworpen voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Bovendien betrekt hij die voorgehouden schending thans niet op het bestreden arrest maar op de door hem op 21 januari 2016 ingediende asielaanvraag. Het tweede middelonderdeel is kennelijk niet-ontvankelijk.
- Verzoeker voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte heeft geoordeeld “dat verzoekers naam, geboortedatum, regio van herkomst en moedertaal zowel in de fiche NMBV als tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken en het gehoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op dezelfde wijze werden weergegeven”, terwijl verzoekers naam op de voornoemde fiche als “TAHNA Jawad” staat vermeld en nadien is gebleken dat die naam “SAFI Tahna Jawad” was. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek houden in dat de rechter aan een akte geen uitlegging mag geven die niet verenigbaar is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Verzoeker heeft inderdaad bij het indienen van zijn asielaanvraag op 21 januari 2016 als naam “Jawad Tanha” opgegeven, terwijl in latere stukken “Jawad Tanha SAFI” wordt vermeld. Uit het gehoorverslag van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 oktober 2017, dat zich in het rechtsplegingdossier bevindt, blijkt echter dat verzoeker heeft verklaard “Jawad Tanha is mijn naam en de stam is SAFI” en dat hij onderweg enkel de naam “Jawad Tanha” heeft gebruikt. Het enige verschil ligt dus in het bijkomend vermelden van de naam van de stam als familienaam. Er is derhalve geen andere naam vermeld in de latere stukken dan in de fiche van 21 januari 2016 zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen uitlegging aan de desbetreffende stukken heeft gegeven die in strijd is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Minstens kan de voorgehouden onwettigheid de strekking van het bestreden arrest niet hebben beïnvloed, vermits verzoeker zelf een verklaring heeft gegeven voor de aanvulling van zijn naam met XIV-38.089-3/4 “Safi” en er als dusdanig geen betwisting is geweest over de naam of de persoon van verzoeker. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf juli tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.089-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.413 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div