← België

Cassatiebeschikking 13414 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/07/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 11 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.414 Rolnummer: A. 228393/XIV-38082 Zaak: Cassatiebeschikking 13414 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 11/07/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-07-16 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-21 07:17 Fiche Beschikking nr 13.414 van 11 juli 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.414 van 11 juli 2019 in de zaak A. 228.393/XIV-38.082 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jill Troch kantoor houdend te 2018 Antwerpen Brusselstraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 juni 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 221.686 van 23 mei 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 juni 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn als algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Verzoekster zet alleszins niet uiteen op welke wijze de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van deze beginselen zou hebben geschonden. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. XIV-38.082-1/3
  2. Verzoekster houdt voor dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte het standpunt van de verwerende partij heeft bevestigd dat verzoeksters aanvraag werd ingediend op basis van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 1°, 2° of 4°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Verzoekster is van oordeel dat zij “op basis van haar specifieke situatie waarbij ze enkel beschikte over een machtiging van maximaal drie maanden op basis van een gewoon visum, […] effectief [diende] beschouwd te worden als een aanvrager zoals bedoeld in § 1, 3° en aldus zich bevindend in buitengewone omstandigheden”. Anders dan verzoekster lijkt te suggereren, volstaat het niet dat zij zich in een situatie van buitengewone omstandigheden zou bevinden, waarna zij zou moeten worden beschouwd als een aanvrager zoals bedoeld in artikel 12bis, § 1, tweede lid, 3°, van de vreemdelingenwet. De vreemdeling die met toepassing van die bepaling een aanvraag wenst in te dienen, dient zelf de voorgehouden buitengewone omstandigheden aan te halen en aan te tonen. De verwerende partij is er niet toe gehouden zelf te onderzoeken of mogelijk sprake kan zijn van buitengewone omstandigheden indien de aanvrager er zich niet op beroept. Artikel 26/1, § 1, eerste lid, 2°, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: het vreemdelingenbesluit) vermeldt trouwens dat de vreemdeling die een verblijfsaanvraag indient met toepassing van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 3°, van de vreemdelingenwet “de bewijsdocumenten die betrekking hebben op de buitengewone omstandigheden, zoals gedefinieerd in artikel 12bis, § 1, tweede lid, 3°, van de wet” overlegt. Op grond van artikel 26/1, § 1, derde lid, van het vreemdelingenbesluit wordt de aanvraag niet in overweging genomen “indien de vreemdeling bij de indiening van zijn aanvraag […] niet alle vereiste documenten overlegt”. Verzoeksters kritiek faalt in die mate naar recht en het middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  3. In de punten 3.1.7 en 3.1.8 van het bestreden arrest zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omstandig en met verwijzing naar de concrete stukken van het dossier uiteen waarom verzoeksters aanvraag niet wordt beschouwd als zijnde ingediend op grond van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 3°, van de vreemdelingenwet en waarom de aan XIV-38.082-2/3 verzoekster afgeleverde bijlage 41bis niet wordt beschouwd als zijnde afgegeven op grond van artikel 26/2/1, § 3, van het vreemdelingenbesluit. Verzoekster toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met die beoordeling een betekenis aan verzoeksters aanvraag heeft gegeven die strijdig is met de bewoordingen of de inhoud ervan. Uit het door verzoekster voorgehouden feit dat zij niet zou voldoen aan de voorwaarden van artikel 12bis, § 1, tweede lid, 1°, 2° of 4°, van de vreemdelingenwet doch dat zij zich “op basis van de objectieve gegevens” in een andere categorie bevond, volgt niet dat verzoeksters aanvraag noodzakelijk moest worden beschouwd op grond van punt 3°, van die bepaling. Dit volgt evenmin uit verzoeksters eigen interpretatie dat de vermelding van artikel 26/2/1 van het vreemdelingenbesluit op de aan haar afgegeven bijlage 41bis “foutief” zou zijn doorstreept. Het enige middel is ook in die mate kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op elf juli tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.082-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.414 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.