← België

Cassatiebeschikking 13464 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.464 Rolnummer: A. 228644/XIV-38103 Zaak: Cassatiebeschikking 13464 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-01 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-21 21:49 Fiche Beschikking nr 13.464 van 17 september 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.464 van 17 september 2019 in de zaak A. 228.644/XIV-38.103 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pauline Delgrange kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 juli 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 222.636 van 14 juni 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 30 juli 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of hij een beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning als vluchteling en tot weigering van de vluchtelingenstatus kan bevestigen of hervormen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. De Raad van State vermag zich als administratieve cassatierechter niet in de plaats van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te bepalen of al dan niet nader onderzoek nodig is van foto’s XIV-38.051-1/4 van verzoekers moeder, die volgens verzoeker in Karachi zouden zijn genomen en waaruit haar verblijf aldaar zou moeten blijken, of van de door verzoeker in het cassatiemiddel genoemde doch niet nader omschreven “andere gevoegde bewijselementen”. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
  2. Met de verwijzing naar een artikel uit de krant Express Tribune van 14 juni 2018 betreffende de opening van een pretpark in Karachi toont verzoeker niet aan dat de bewijskracht van enige akte zou zijn geschonden door de beoordeling in het bestreden arrest dat “de ter terechtzitting neergelegde foto’s van verzoekers moeder in een pretpark in Karachi dat in juni 2018 zou geopend zijn, […] geen enkele objectieve aanwijzing [bevatten] met betrekking tot de locatie of het tijdstip waarop zij werden genomen”. Verder behoort de beoordeling van de bewijswaarde van de door een partij neergelegde stukken tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  3. Met het bestreden arrest worden de erkenning als vluchteling en de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus geweigerd. Er wordt echter geen uitspraak gedaan over een verwijderingsmaatregel zodat verzoeker niet dienstig een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) kan inroepen. Verzoeker werpt nog de schending op van artikel 13 van het EVRM. Vermits daarnaast, behalve de niet-ontvankelijk bevonden schending van artikel 3 van het EVRM, geen schending opwerpt van een ander door het EVRM beschermd recht, kan hij zich niet dienstig op het voornoemde artikel 13 beroepen. Wat de voorgehouden schending van artikel 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) betreft, verwijst verzoeker naar een niet bestaand arrest van de Raad van State. Voor zover het om een arrest XIV-38.051-2/4 van de Raad van Vreemdelingenbetwistingen betreft, volgt uit een eventueel andere zienswijze in een andere zaak op zich niet een onwettigheid in het bestreden arrest. Verzoeker houdt voor dat hij, na zijn aanvankelijke verklaringen, “nochtans volledig [heeft] meegewerkt om later wel een duidelijk zicht te bieden op zijn gezinssituatie en netwerk”. Te dezen wordt in punt 2.4.6.3 van het bestreden arrest echter op omstandig gemotiveerde wijze geoordeeld dat verzoeker ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd over zijn persoonlijk profiel, de herkomst van zijn familie, zijn familiaal netwerken het door hem aangemeten socio-economisch profiel. Hieruit blijkt dat volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet is voldaan aan één van de in artikel 48/6 van de vreemdelingenwet gestelde voorwaarden om het voordeel van de twijfel te kunnen genieten. Het komt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe te oordelen over de zaak zelf door kennis te nemen van de door verzoeker voorgelegde elementen. Verzoeker maakt derhalve geen schending aannemelijk van deze bepaling. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.051-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.051-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.