id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.465 Rolnummer: A. 228693/XIV-38110 Zaak: Cassatiebeschikking 13465 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-09-27 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-21 21:58 Fiche Beschikking nr 13.465 van 17 september 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.465 van 17 september 2019 in de zaak A. 228.693/XIV-38.110 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Abderrahim LahlaliI kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 731 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juli 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 223.038 van 21 juni 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 augustus 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) opgeworpen doch daartoe enkel verwezen naar de situatie in Tsjetsjenië en naar zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aldaar bij een terugkeer naar Tsjetsjenië. XIV-38.110-1/3 Uit het bestreden arrest blijkt echter dat de aanvankelijk bestreden beslissing strekt tot de beëindiging van verzoekers recht op verblijf in België doch geen verwijderingsmaatregel inhoudt. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door verzoekers argumentatie dat vroeg of laat een repatriëring zal volgen. Wanneer een verwijderingsmaatregel wordt genomen, kan verzoeker de daartegen voorziene rechtsmiddelen uitputten. Verzoeker verwijst niet dienstig naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016 in de zaak met nummer 41738/10, Paposhvili tegen België vermits het in die zaak net wel een verwijderingsmaatregel (bevel om het grondgebied te verlaten) betrof. Overigens volgt uit dit arrest dat de verwerende partij een toetsing aan artikel 3 van het EVRM moet doorvoeren indien zij een verwijderingsmaatregel wil nemen. Derhalve heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op wettige wijze geoordeeld dat uit de beëindiging van verzoekers verblijfsrecht in België te dezen geen schending van artikel 3 van het EVRM kan worden afgeleid. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.110-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.110-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.465 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div