← België

Cassatiebeschikking 13485 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/09/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 24 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.485 Rolnummer: A. 228695/XIV-38111 Zaak: Cassatiebeschikking 13485 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 24/09/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-10-07 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-21 07:15 Fiche Beschikking nr 13.485 van 24 september 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.485 van 24 september 2019 in de zaak A. 228.695/XIV-38.111 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Van Vreckom kantoor houdend te 1030 Schaarbeek Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 26 juli 2019, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 223.319 van 27 juni 2019 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 augustus 2019 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. In punt 2.13 van het bestreden arrest wordt overwogen “dat verzoekers met hun kritiek voorbij lijken te gaan aan de cruciale vraag of de elementen, die verzoekers inroepen in de ‘huidige’ aanvraag om machtiging tot verblijf van 1 februari 2019, al dan niet reeds werden ingeroepen in een eerdere medische regularisatie-aanvraag, in casu de aanvraag van 21 augustus 2013 […]. De vraag of deze elementen al dan niet ten gronde werden ‘besproken’ is in het kader van de van toepassing zijnde voormelde wetsbepaling XIV-38.111-1/3 enkel relevant indien de vorige aanvraag aanleiding gaf tot een onontvankelijkheids- beslissing ‘op basis van artikel 9ter, § 3, 1°, 2° of 3°’ van de vreemdelingenwet of indien van deze elementen afstand werd gedaan. Aangezien verzoekers niet aantonen dat dergelijke onontvankelijkheidsbeslissing werd genomen, noch dat zij van deze elementen afstand deden, slagen zij er met hun kritiek niet in het determinerend motief van de bestreden beslissing aan het wankelen te brengen”. Vervolgens maakt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de punten 2.14 en 2.15 van het bestreden arrest de vergelijking tussen de in de aanvraag van 21 augustus 2013 en de in de aanvraag van 1 februari 2019 ingeroepen medische elementen en stelt hij met verwijzing naar het advies van de ambtenaar-geneesheer van 14 februari 2019 dat “er […], in weerwil van verzoekers beweringen, wél [werd] aangetoond dat er geen nieuwe elementen zijn”. Slechts “bijkomend” merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.16 van het bestreden arrest “dat de kritiek van verzoekers, dat hun eerdere aanvraag [van 21 augustus 2013] nooit ten gronde zou zijn ‘besproken’, feitelijke grondslag mist” en gaat hij verder in op de beslissing van 13 juli
  4. De verzoekers laten in hun enig cassatiemiddel eerst gelden dat het feit dat er in de bij hun aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ van 1 februari 2019 gevoegde stukken geen nieuwe diagnose wordt gesteld en dat de in hun aanvraag van 21 augustus 2013 reeds aangehaalde gezondheidstoestand zou worden bevestigd, “niet overeenstemt met de werkelijkheid”, waarna zij hun bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde grieven gedeeltelijk citeren. Met het louter herhalen van hun bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerde kritiek tegen de motieven in punt 2.13 tot en met 2.15 van het bestreden arrest, zonder in te gaan op die motieven, tonen de verzoekers geen onwettigheid aan in het bestreden arrest, dit daargelaten de vraag of hun kritiek geen betrekking heeft op de grond van de zaak. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  5. De verzoekers zetten verder omstandig uiteen dat zij “nooit betekening hebben gekregen van de beslissing van 13 juli 2018, in tegenstelling tot wat het XIV-38.111-2/3 bestreden arrest beweert”. Zij halen nog aan “dat het advies van 29 juni 2018 [bij de beslissing van 13 juli 2018], dat ze niet hebben ontvangen, onmogelijk rekening kan gehouden hebben met verschillende medische attesten die zijn overgemaakt in het kader van de aanvraag 9ter ingediend op 1 februari 2019 […]”. Deze kritiek is gericht tegen overwegingen die de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “bijkomend” heeft gemaakt. Na de supra niet onwettig bevonden vaststelling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de aanvraag van 1 februari 2019 geen nieuwe elementen bevatte in vergelijking met de aanvraag van 21 augustus 2013, betreft de vraag of de verzoekers al dan niet kennis hebben gekregen van een beslissing van 13 juli 2018 en het daarbij horende medisch advies betreffende de eerste aanvraag een motief waarvan de eventuele onwettigheid de strekking van het bestreden arrest niet kan hebben beïnvloed. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vierentwintig september tweeduizend negentien, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-38.111-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ORD.13.485 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.